BLOG Nederlands


The west and the rest

The west and the rest

Stilzwijgend profijt III


menigte


De dramatische nieuwsbeelden gingen afgelopen voorjaar rap de wereld over: beelden van de massale exodus uit grote Indiase steden toen plotseling een algehele lockdown werd afgekondigd voor het hele subcontinent – met een bevolking van zo’n 1,4 miljard.

Halsoverkop wegvluchtende mensen: hangend uit-aan-op karren, wagons of bussen, maar de meesten lopend. Even ging het gerucht dat de overheid speciale treinen voor hen zou inzetten. Rond spoorstations ontstonden ongeduldige hordes. Op de tv verscheen eerste minister Thackeray: ’Dat krijg je als iemand zo maar iets roept. Ik waarschuw jullie, dit zijn arme mensen, speel niet met hun emoties!’


Twitter foto's

Alle staten moesten op slot, miljoenen inwoners waren plotseling via de televisie door hun president op staande voet ontslagen. Zonder werk is het leven van dagloners in een stad gedoemd. Wegwezen dus.†Veelal zonder uitbetaling van het laatste loon, want de plotse lockdown bracht ook de kleinere middenstand, naaiateliers en allerhande thuisfabriekjes terstond in financiŽle problemen.†

Andere grote aantallen vluchtenden bestonden uit straatverkopers, riksja-rijders, karduwers, schoonmakers, noem maar een stedelijke bedrijvigheid op.

Vervoer in trucks


Vervoer trein menigte tekst

Wanneer nieuwsbeelden schokkend of sensationeel zijn, is de toelichting doorgaans gebrekkig – laat staan dat er nog enige uitleg volgt.†

Als iemand zich al in de media afvroeg waar al die mensen dan heentrokken, kwam het antwoord niet verder dan: ‘Naar huis, naar eigen dorp of streek.’


Vervoer Trein groepen

Lopend? Tijdens lockdown? Met z’n hoevelen? Waarom hadden ze hun ‘eigen dorp of streek’ verlaten?†

Was het inmiddels niet te lang geleden? Waren ze ‘thuis’ nog welkom, als er juist nu meer monden gevoed moeten worden?



Een Nepalese student beantwoordde m’n vragen per mail met:

Vervoer ezelkar

De migrerende arbeiders hebben het erg zwaar. Het grootste deel van de beroepsbevolking in Mumbai en Zuid-Indiase staten komt uit de noordelijke staten Bihar en Uttar Pradesh (die aan Nepal grenzen). Tijdens de lockdown hadden de meesten van hen geen andere optie dan 1000-1200 km te lopen, van plaatsen als Mumbai en Delhi naar hun geboortedorp of -stad.


Landbouwgif sproeien kopie


Sommige groepen werden onderweg door omstanders besproeid met pesticiden, omdat ontsmettingsmiddelen als bescherming werden gezien. Er werd gezegd dat dit de grootste migratie was sinds de opdeling van India en Pakistan (1947).

Landbouwgif sproeien 2

De nationalistische BJP die in India regeert, doet voornamelijk aan hindoeÔstische moslimretoriek en is in deze tijd hopeloos gebleken. India zit momenteel middenin protesten van boeren die massaal naar Delhi trekken. Heel bevorderlijk voor de covid-verspreiding allemaal.

Er lijkt weinig verschil in de situatie van het migrerende voetvolk en de keuterboertjes. Sterker nog, Indiase kranten noemen de rondtrekkende arbeiders soms onomwonden agrarische vluchtelingen (‘farmer refugees’).

boeren op land Nepal 2

Het aantal zelfdodingen is onder beide groepen al jaren dermate hoog dat zelfs de nationale media de cijfers node moet melden –– met een enkele keer ‘hoge bankschulden’ als achterliggende reden. Het probleem was echter dat vele keuterboeren te klein waren om met hun schamele oogst de reis te financieren naar een stad of streek waar een betere prijs viel te behalen.

Lang verhaal kort: mega ondernemingen en (internationale) multinationals verkregen dankzij meedogenloos lage prijzen steeds meer grond in bezit. De voorheen zelfstandige boeren werden loonslaven in grote steden.

(Voor alle duidelijkheid: het betreft hier niet de jonge mensen uit India, Bangladesh of Nepal die noodgedwongen intekenen op arbeidscontracten voor Maleisische fabrieken, Arabische stadion- of andere hoogbouw, IsraŽlische huishouding, Chinese schoonmaakbedrijven. Dat zijn weer andere legertjes arbeidskrachten.)


Boeren 1


Afgelopen september publiceerde socioloog Jan Breman een perspective over de pandemie in India en de weerslag ervan op ‘footloose labour’ (letterlijk ‘loslopende werkkrachten’). Migrerende of permanent rondtrekkende (seizoens)arbeiders staan zelden ergens geregistreerd maar hun aantal schat hij tussen de 50 en 100 miljoen. Indiase kranten spreken soms van 150 miljoen.

De angst voor honger, het gebrek aan onderdak en de vrees om besmet te raken, lieten velen onder hen geen andere keuze dan te proberen de afstand lopend af te leggen.

De eerste dagen nadat instructies waren uitgevaardigd om binnenshuis te blijven, stonden de kranten vol met foto's van groepen migranten die langs de snelwegen liepen en liftten in de hoop de reis van honderden kilometers of meer naar huis te voltooien.

kathmandu post-2

Aan staats- en districtsgrenzen werden ze aangehouden en vaak belaagd door politie die hun doorgang weigerde en hen in noodkampen vasthield. De meeste migranten besloten wijselijk om niet verder trekken totdat het vervoer over langere afstanden zou worden hervat. Toen dat alsmaar niet gebeurde, verzamelden honderden en duizenden van hen zich op treinstations en in busdepots of in straatprotesten.

Tussen april en juni kwamen ze bijvoorbeeld driemaal samen in de stad Surat om schreeuwend voertuigen of treinen te eisen om hen terug te brengen naar hun plaats van herkomst.†

Op de groeiende onrust reageerde de politie hardhandig. Maar de beelden van deze gestrande, broeierige massa maakten in ieder geval de nauwelijks opgemerkte aanwezigheid van deze rondtrekkende werkzoekenden zichtbaar voor de stedelijke burgerij, die tot dan toe geen idee hadden van de omvang en kwetsbaarheid van dit zonderlinge werkvolk in hun midden.

Vervoer bus



Wie zijn deze mensen, die noodgedwongen zwerven tussen woonplaats en werkplek, ver weg van huis? Wat ze gemeen hebben, is de noodzaak om het hoofd te bieden aan de chronische armoede van het huishouden waartoe ze behoren.

Naast het gebrek aan voldoende productie om van te leven is er in hun omgeving evenmin een aanhoudende vraag naar hun arbeidskracht.

Als oproepkrachten zitten ze dicht bij of aan de onderkant van de informele economie, wat erop neerkomt dat ze geen enkele zeggenschap hebben over welke arbeidsvoorwaarden dan ook.


Dorp India

Foto’s zie Traveloque Zuid-India

Velen van hen worden aangenomen en ontslagen al naar gelang de behoefte van het moment, worden onderbetaald voor hun laaggeschoolde zware werk en moeten werken zonder zelfs de geringste toegang tot rechtsbescherming of sociale zekerheid.

Gemeden en verbannen buiten de†fatsoensnormen†is de hachelijke positie van deze groepen vergelijkbaar met die van arme lieden die het niet verdienen te worden onderworpen aan de wrede doctrine van het sociaal Darwinisme dat we zo vurig maar onbezonnen hoopten nooit meer terug te zien.

Om deze onderklasse van de heersende maatschappij gescheiden te houden, werd aan de samenleving een raciale ideologie van uitsluiting opgelegd, hetgeen het gedegradeerde deel van de natie onderwierp aan binnenlands kolonialisme. - Jan Breman


billionaire 2 kopie


Maar hoezo binnenlands kolonialisme, als ook India sinds decennia het westerse liberaal-kapitalistische systeem incorporeerde. Indira Gandhi meende dit in de zeventiger jaren nog te kunnen tegenhouden door zich sterk op de Sovjets te richten – maar tevergeefs.

Kolonisatie vond in den beginne niet plaats door Europese landen – die immers zelf nog vastgelegde grenzen noch stemrecht hadden. Het was veeleer de invloed van de rijke bovenlaag in bepaalde Europese steden of gebieden die investeerde in schepen en mankracht — in die volgorde.


Follow the money wall street

Was de VOC nog een naamloze vennootschap, in de 19de eeuw werd elke persoonlijke verantwoordelijkheid resp. aansprakelijkheid nog meer verhuld en ingekapseld in contracten, kortom onmogelijk gemaakt. Van verantwoording nemen of afleggen was zelden sprake.

Mettertijd groeiden deze NV’s uit tot mondiale corporaties en financiŽle multinationals, waarbinnen niemand meer enigszins persoonlijk verantwoordelijk was (behalve voor de winst voor de aandeelhouders) en waarop zowel werknemers als samenlevingen geen greep meer hadden / hebben.

Nog altijd herinner ik me de reactie van de man die in de negentiger jaren directeur van Chrysler was. Op de vraag van een journalist hoe het kon dat de onderneming winst maakte, terwijl de fabriek verkleind was, vele arbeiders ontslagen waren en de omringende stad tot een getto aan het vervallen was, antwoordde hij in alle ernst:†

‘Ik zit hier niet om auto’s te verkopen, ik zit hier om winst te maken.’


Trillionaires


In de kapitalistische ideologie, die nut en efficiency tot de hoogste waarden heeft verheven om zoveel mogelijk winst te kunnen maken, spreekt niets meer in zijn eigen taal met de mens. Alles is teruggebracht tot een zielloos object dat†of† bruikbaar is en daarom nuttig, of† onbruikbaar, dus onnuttig. En wat geen nut heeft, kan† worden vernietigd als onkruid.

Hoewel het rijkste deel van de†trilaterale’ elite streeft naar een wereldregering die de verwezenlijking van haar wereldwijde belangen versoepelt, blijft de ‘fundamentele logica’ van het huidige neo-darwinistische kapitalisme dat door de survival of the fittest de sterkste altijd wint.

Deze visie is afkomstig van de negentiende eeuwse Engelse filosoof, Herbert Spencer.

Na het lezen van Charles Darwin's On the Origin of Species, in zijn Principles of Biology (1864), waarin hij parallellen trekt tussen zijn eigen economische theorieŽn en Darwin's biologische theorieŽn: 'Deze survival of the fittest, die ik hier in technische bewoordingen heb proberen uit te drukken, is datgene wat de heer Darwin 'natuurlijke selectie' heeft genoemd, oftewel het behoud van bevoorrechte rassen in de strijd om het leven'.

obama nepal kopie

Maar in tegenstelling tot de neo-darwinisten die de nadruk leggen op de overwinning van de sterkste, sprak Darwin zelf over de overleving van de soort die zich juist het beste aanpast aan de veranderende omstandigheden.

De grootste bedreiging van de mensheid is nu dat zowel liberalen als neo-conservatieven de Darwiniaanse versie weigeren te accepteren.†

Zij zijn er heilig van overtuigd dat alleen grootscheeps geweld de hegemonie van het zwaarst bewapende land in de geschiedenis kan consolideren.†

Luchtvervuiling


Beide politieke partijen in de VS negeren zodoende de ware bedreigingen van de mensheid: de opwarming van de aarde, de ‘jobless growth,’†de catastrofale milieuverontreiniging, de voorbereidingen van een Derde Wereldoorlog om de markten en de snel slinkende grondstoffen-voorraden te veroveren, de niet te stuiten politieke corruptie, het opkomende postmoderne ‘fascisme,’ de wereldwijde bevolkingsexplosie, de uitputting van landbouwgronden, de aanzwellende vluchtelingenstroom naar de westerse vleespotten,†de toenemende kloof tussen arm en rijk,†het almaar dalende vertrouwen van de burgers in de politieke macht, en het groeiende verlies aan geloofwaardigheid van de ‘corporate media.’†

En dit alles gebeurt ook nog gelijktijdig, zodat er nu sprake is van wat buitenlandse auteurs met recht ‘a system crisis’ noemen. De reactie hierop van de westerse media is ronduit verbijsterend. - Stan van Houcke


Markt


India verwacht zo’n 200 miljoen mensen per jaar te vaccineren. Op zich een prestatie maar dat komt bij 1,4 miljard neer op zo’n zeven jaar als alles meezit –– en dat zit het zelden in India.

De eerste vertraging zit ‘m al in de prijs van $ 3,= per stuk. India mag dan een van de allergrootste medicijn producenten ter wereld zijn, de meeste medicinale grondstoffen zijn in Chinees bezit.


Vaccinfabriek India


Een andere vertraging is de vraag naar een miljard louter ťťnmalig te gebruiken spuiten — om herverkoop en extra infecties te voorkomen.

Vaccinspuiten

Het inentingsprogramma moge dan inmiddels vier miljoen doktoren en verpleegsters tellen, dat is nog steeds onvoldoende om het immense platteland en Himalaya gebergte te bezoeken.†

Om uitbarstingen van massale toeloop te voorkomen, zal het verkiezingssysteem worden aangewend: persoonlijke oproepen per post. (Sinds de koloniale tijd werken de posterijen in India immer nog uitstekend – want ambtenarij en dus een redelijk betaalde vaste baan.)

Namaak vaccin

Als vaccin-voorrang in strak georganiseerde landen al problemen en onrust oplevert, hoe zal dat verlopen in een land met kastenstelsels (waarbij ook nog eens de een niet door de ander geÔnjecteerd wil worden), met overwegend private gezondheidszorg, met alleen al zo’n zeventig miljoen diabeten, met genoemde miljoenen niet-geregistreerde trekarbeiders maar evenzo met miljoenen rondtrekkende heiligmannen (sadhoes),†tempelbewoners, enzovoorts.



Sadhoe India

Foto’s zie†Traveloque Zuid-India††

Saddhoes 2


Sadhoe


De verkoop van namaak vaccins is uiteraard al aan de orde. Even treurig maar nog verbijsterender zijn de ‘wetenschappelijke papers’ die ‘aantonen’ dat ‘mensen in armere, lage-inkomens wijken een hogere immunologisch respons op de ziekte hebben in vergelijking met hoge-inkomensgroepen’.

Dichtbevolkt 2

Als žk, drie-hoog achter in Amsterdam aan de zijlijn, al kan bedenken dat in arme gebieden en getto’s alleen het sterkste kind overleeft, dan lijkt het me ronduit misdadig dat de armen voor een tweede keer op de proef worden gesteld en achteraan in de voorrang-selectie moeten aansluiten.


Het is schrijnend dat deze rijkere landen een beleid van ‘vaccin-nationalisme' hebben gevoerd door het aanleggen van een voorraad kandidaat-vaccins in plaats van een beleid voor het creŽren van een ‘volksvaccin’.

Dichtbevolkt 1

In het belang van de mensheid zou het verstandig zijn om de regels voor intellectueel eigendom op te schorten en een procedure te ontwikkelen om universele vaccins voor alle mensen te creŽren. – Noam Chomsky & Vijay Prashad

Ook al ben je voorstander van andersglobalisme - lees die wikipagina, ajb - dan nog heb je ongemerkt wel degelijk stilzwijgend profijt van de onderbetaalde arbeid van Aziatische of Afrikaanse ‘systeemslaven’.


Boeren weven

Foto’s zie†Traveloque Zuid-India††


boer met eigen spullen

Eenzaamheid is geen gemoedstoestand die op zichzelf staat. Hij leeft in een ecosysteem. Als we dus de eenzaamheidscrisis willen tegenhouden, zijn economische, politieke en maatschappelijke veranderingen in het systeem nodig, terwijl we tegelijkertijd onze persoonlijke verantwoordelijkheid erkennen.

Om te beginnen moeten we accepteren dat de huidige eenzaamheidscrisis niet zomaar uit de lucht is komen vallen. Ze werd krachtig aangewakkerd door een specifiek politiek project: het neoliberale kapitalisme. Dit is een obsessief egocentrische, zelfzuchtige vorm van kapitalisme die onverschilligheid heeft genormaliseerd, van egoÔsme een deugd heeft gemaakt en het belang van mededogen en zorgzaamheid heeft gebagatelliseerd.

Het is niet zo dat we nooit eerder eenzaam waren. Door onze relaties te herdefiniŽren als transacties, door van burgers consumenten te maken en door steeds grotere inkomens- en vermogenskloven te veroorzaken, heeft veertig jaar neoliberaal kapitalisme op zijn best waarden als solidariteit, saamhorigheid en vriendelijkheid gemarginaliseerd. Op zijn ergst heeft het deze waarden zonder vorm van proces terzijde geschoven.

Kapitalisme is nooit ťťn enkele ideologie geweest.

Als het kapitalisme met zorg verzoend moet worden, moeten we economie en sociale rechtvaardigheid dringend opnieuw met elkaar verbinden en erkennen dat traditionele definities voor succes niet langer volstaan. - Noreen Hertz. De Eenzame Eeuw.


Boeren verkopen Nepal


In de tachtiger jaren hoorde ik toenmalig minister ontwikkelingssamenwerking Eegje Schoo op een Chinees tv-kanaal dwars door haar beminnelijke lach heen liegen dat ze in Beijing was om Nederlandse bedrijven te ‘assisteren’ er fabrieken op te richten ‘om de Chinese markt te bedienen’. Terwijl juist in die ‘belubberde’ jaren de werkloosheid thuis ongekend hoog was.

Dat het anders moet – alleen al om het milieu – weet inmiddels ieder mens. Maar na vier decennia kun je dit liberaal-kapitalistisch productieproces in landen als Vietnam, Cambodja, India, IndonesiŽ, Bangladesh, of continenten als Zuid-Amerika of Afrika niet zo maar met een guillotine-slag stilleggen –- want corona.


slapende werkers


spullen kopie

Om de beeldspraak draaglijk te houden: denk even aan oude slapstick filmfragmenten van lopende-band werk. Zo’n scene waarin aan het eind van de band iets onverwachts gebeurt, waardoor aan het begin grote paniek uitbreekt om de stuwende berg aan onderdelen die zich alsmaar ophoopt. Sorry, even geen kleding, schoeisel, elektronica, meubels, etc.


Boeren manden


Mondiaal gezien maken de lockdowns † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † † inmiddels meer levens kapot dan er worden gered. Misschien niet zozeer in the west als wel in the rest.

Na decennia van stilzwijgend profijt – kijk binnenshuis ‘ns rond – is het hoog tijd zelf†verantwoording te nemen, te beginnen met buiten de westerse covid-bubble te kijken.



Half open 1 tekst

Stilzwijgend profijt I

Stilzwijgend profijt II

Inhoud artikelen

Home













‘Zie daar wat de rede leert.’

‘Zie daar wat de rede leert.’

Stilzwijgend profijt II


Rechtbank


Boek Amsterdam Onderzoek

‘Wat bij eigenlijk alle argumenten meespeelde, is de overtuiging dat Nederland en Nederlanders Úf van nature ‘goed zijn’†of op z’n minst ‘het slechte’ allang achter zich hebben gelaten, en dat herdenken van de slavernij daarom overbodig of zelfs schadelijk is.’

Vervolgens geeft Markus Balkenhol in het recentelijk verschenen Het Amsterdam Onderzoek enkele van de tegenreacties (met talrijke aanhang) als voorbeeld:

2002 †Geen enkele reden dus om ons schuldig te voelen, zeker niet indien terecht de dochter de daden van de vader niet mogen worden aangerekend, en al helemaal geen reden voor financiŽle compensatie.Pim Fortuyn, De Puinhopen van Paars 2002

2008 †Er verschijnen steeds onderzoeken die ons van discriminatie beschuldigen. Maar Nederlanders hebben het helemaal niet in zich om te discrimineren. Wij zijn al eeuwenlang een gastvrij volk.†Rita Verdonk, Trots Op Nederland-toespraak 2008

2015 †Elsevier-journalist Syp Wynia herdacht 40 jaar Surinaamse onafhankelijkheid met: ‘Surinaamse immigranten ontdekken aan het eind van de twintigste eeuw dat als je in Nederland iets wil bereiken, de moraal een effectieve weg is.

(Waarop Gloria Wekker repliceerde: In dit narratief verschijnt Nederland niet alleen als onschuldig, maar zelfs als slachtoffer van† haar eigen goedheid.)


James Baldwin 1985

‘White man, listen to me!’ hief James Baldwin in 1965 aan. ‘Geschiedenis is niet alleen iets om te lezen. En het verwijst niet alleen, of zelfs maar hoofdzakelijk, naar het verleden. Integendeel, de grote kracht van geschiedenis komt voort uit het feit dat we haar in ons dragen, dat ons denken en handelen er onbewust op vele manieren door wordt beheerst.

Dat kan ook bijna niet anders, want het is aan geschiedenis dat we onze referentiekaders, onze identiteiten en onze aspiraties ontlenen.’


Amistad 2

Mogelijk droegen de Amerikaanse civil rights movements – alsmede de betreffende literatuur, media Ťn vooral de mega Hollywood producties†– ertoe bij dat men tegenwoordig de slavernij-geschiedenis vooral lijkt te associŽren met de slavenhandel van Afrika naar Amerika.†

Civil rights 2

Zelfs in landen waar men zŤlf slavernij kende — of kent.

Met name Nederland zou beter moeten weten.

Tot decennia na de officiŽle afschaffing bleef Nederland slavernij in de koloniŽn faciliteren. In feite nÚg langer, als je schuldslaven (pandelingen), contractkoelie-systemen en andere ‘vermomde alternatieven’ erbij rekent.

Postkoloniaal Nederland

Maar Nederland wilde niet echt beter weten.

‘Ik had in 1975 als historicus kunnen afstuderen zonder ook maar iets van de koloniale geschiedenis of postkoloniale migraties te weten.’ - Gert Oostindie, Postkoloniaal Nederland, 2010.

Bij gezamenlijke geschiedenis hoort kennelijk ook consensus omtrent gezamenlijk ontkennen of zwijgen. Die zogenaamde ‘Oost-Indische doofheid’ kun je tegenwoordig heel anders uitleggen dan toentertijd.

Oost-Indische kers

‘De uitdrukking dateert uit de 19e eeuw. P.J. Harrebomťe vermoedde dat 'deze hebbelijkheid van niet te willen luisteren naar eene vermaning of een verzoek wel het meest op de Oost-IndiŽrs toepasselijk is, daar hun, door de heete luchtsgesteldheid, eene natuurlijke traagheid eigen is’.†

Waarschijnlijk moeten we echter denken aan Indische vorsten die zich bij contacten met westerse machthebbers vaak doelbewust van de domme hielden." F.A. Stoett denkt dat die vorsten dat vooral deden om uitstel te winnen bij de Nederlanders. - Onze Taal.nl

Natuurlijk wisten machthebbers in Nederland eeuwenlang van de slavernij in IndiŽ. In het begin heette het: de VOC-bemanning maakt gebruik van lokale tradities (wat deels waar was).

Aan het eind heette het: zonder ons hebben ze werk noch inkomen (wat een leugen was). Daartussen verzon men van alles om met zichzelf in het reine te komen.†

Oftewel: ‘Zie daar wat de rede leert.’


Belanda + slaven


Kipling

‘Wat weten zij van Engeland die alleen van Engeland weten,’ jammerde de Brits-Indiase schrijver J.R. Kipling in 1899.†

Met andere woorden, wat zou ‘dat soort’ landgenoten kýnnen begrijpen van ’het wereldrijk waar de zon nooit onder gaat’?†

Zonder geschiedeniskennis bestaat er geen Engeland — laat staan een Brits imperium.

Wie niet weet waar hij vandaan komt, gaat nergens heen, ontwikkelt zich niet en loopt als het ware in een leeg landschap een balletje te slaan...

‘What do they know of cricket that only cricket know?’ parafraseerde de West-Indische intellectueel C.L.R. James (1901-’89) in Trinidad, daar waar de zon onder ging.

C.L.R. James kopie

Zonder mensenkennis heb je geen teamsport, hooguit een leger.

Behalve de implicatie dat de Engelse landadel en elite niets van cricket kunnen begrijpen, hint de marxistisch georiŽnteerde James tevens naar de uitdrukking: it’s not cricket (iets is niet eerlijk, sportief of legitiem).


The White Man's Burden

De imperialistisch ingestelde Kipling wist het echter nog megalomaner te stellen met de dichtregel:

‘Take up the white man’s burden’.

Toentertijd vertaald als ‘Neem op de last der blanken.’

In Frankrijk heette hetzelfde soort gedachtegoed ‘mission civilisatrice, de heilige plicht om niet-Europeanen tot beschaving te brengen.’ - Wikipedia

The white man's burden 2

1901† †In Nederland sprak men – later, uiteraard – van ereschuld en ethische politiek. Of zoals koningin Wilhelmina in haar troonrede†meende: ‘…dat Nederland tegenover de bevolking dezer gewesten een zedelijke roeping heeft te vervullen’.

1949 † Minister J.H. van Maarseveen (degene die de onderhandelingen over de Soevereiniteits-overdracht aan IndonesiŽ leidde tijdens kabinet Drees) in†het parlement:†

Excessennota

‘IndiŽ was onze trots.†Wij hadden IndiŽ bestuurd op een wijze die overal bewondering wekte. Wij hadden een taak in IndonesiŽ,’ waarbij hij het eigenlijk ‘zedelijk niet verantwoord’ vond om ‘die taak prijs te geven’. (Citaat uit ‘Het verleden tot last’, C. Fasseur, opsteller van de Excessennota in†1969).


Het is mede dankzij de (nazaten van) postkoloniale migranten in Europa – ‘wij zijn hier omdat jullie daar waren’ – dat Nederland haar koloniale geschiedenis leert te integreren - zij het vooral heel geleidelijk.

‘Waar geen omvangrijke gemeenschappen van postkoloniale migranten zijn, zal het koloniale verleden eerder worden vergeten.

Wereldbevolking per werelddeel

Waar zulke gemeenschappen er wťl zijn, zullen hun verlangens omtrent de inhoud van de herinnering uiteenlopen naar gelang hun voorgaande relatie tot het koloniale systeem.

Waar vooral kritische geluiden over het koloniale verleden worden geagendeerd, weerspiegelt de wijze waarop overheid en intellectuele elites hierop reageren de invloed van de ideologie van multiculturalisme.†- Ger Oostindie, Postkoloniaal Nederland.


Tot voor kort sprak men nog wel van ‘Het verleden tot last’ maar inmiddels van ‘de ideologie van multiculturalisme’. Hoog tijd om een paar kwartjes in de denkmachine te laten vallen. De Tolstoy-discussie uit de tachtiger jaren leent zich er uitstekend voor.


Tolstoy 2

‘Wie is de Tolstoy van de Zoeloes?’ schamperde†Saul Bellow in een interview met NYT Magazine. ‘Of de Proust van de Papoea's? Ik zal ze graag lezen!’†

Met andere woorden: de enige literatuur die er toe doet, is de westerse literatuur – het segment waarin hij naam maakte, al zullen weinig Zoeloes hem kennen.

Saul Bellow

'De Joods-Amerikaanse schrijver Bellow won in 1976 de Nobelprijs voor de literatuur voor het menselijk begrip en de subtiele analyse van contemporaine cultuur die in zijn werk worden gecombineerd. (..) Hij studeerde sociologie en antropologie.'†- wikipedia


Ralph Willey

Op de opgeworpen vraag: ‘Wie is de Tolstoy van de Zoeloes?’ reageerde de zwarte schrijver Ralph Wiley met:†

‘Tolstoy is de Tolstoy van de Zoeloes.’†

Helder en wonderschoon eenvoudig.

Het omgekeerde is natuurlijk eveneens het geval:†

ook de cultuur van de Zoeloes žs de cultuur der mensheid.



STADSSCHOUWBURG 2

David van Reybrouck verbeeldde tijdens de lancering van zijn boek Revolusi hetzelfde met de opmerking dat†in het Rijksmuseum het zijkamertje ‘Nederland overzee’ deel dient uit te maken van ŗlle zalen – en zeker van die de laatste drie en halve eeuw tonen


Kortom, het koloniale verleden als integraal deel van de Nederlandsche geschiedenis. Deze twee zijn niet naar believen te scheiden en in aparte kamertjes van het geheugen onder te brengen. Niet anders dan een identiteit-zoeker die niet†de mensheid als voorouder wil aanvaarden, maar deze liever naar wens selecteert – door de stamboom†‘bijtijds' naar links of rechts te laten afslaan.


Humans

Wat wťťt een Nederlander… die vůůr alles†Hollander, Indo, Turk is,†Úf christelijk, joods, hindoe, †Úf wit, zwart, geel, †Úf hetero, homo, lgbtqiap of wat dan ook is?

‘Het enige dat ik wil weten, is of iemand mens is,’ schreef Mark Twain, ‘dat is voor mij genoeg, veel erger kan hij niet wezen.’


You kopie


Tijdens de afgelopen 3,5 eeuw gezamenlijke geschiedenis kende Nederlandsch-IndiŽ talloze vormen van slavernij, maar het begon na 1600 voornamelijk als volgt:

VOC logo

Vele van de bootmannen, werklieden, soldaten en andere ‘VOC-dienaren’ die de heenreis hadden overleefd – soms minder dan de helft of erger –piekerden er niet over om nog terug te keren naar hun armoedige bestaan in Europa als semi-horigen.

Deze doorgaans arme, werkloze of criminele sloebers kwamen uit de Hollandse provinciŽn maar vaker nog uit Duitsland, Frankrijk, Schotland, Denemarken, Voor-IndiŽ (Zuid-India), en elders.

Boek Reggie Baay

‘Zij hadden de meeste en de meest nauwe contacten met de Aziatische bevolking, vooral door hun relaties met de Aziatische slavinnen. Er bestond ook beleid dat juist het concubinaat bevorderde.

De gewone mannen konden namelijk niet zonder toestemming van VOC-superieuren in het huwelijk treden. Dit gold zowel voor de lager geplaatste dienaren als voor vrije kolonisten. En die toestemming kon botweg geweigerd worden, zonder opgaaf van redenen.

Daarnaast waren sinds 1617 huwelijken tussen (voormalige) functionarissen van de Compagnie en niet-christelijke vrouwen verboden, en mochten Europese man die met een Aziatische vrouw trouwde niet meer repatriŽren.

Njai?

Als hij toch met een Aziatische slavin in het huwelijk wilde treden, dan moest het aankoopbedrag ook nog eens vooraf worden betaald aan de†VOC†(als eigenaar van de slaven in de vestigingen) of het bedrag werd, in termijnen, afgetrokken van het salaris van de bruidegom.

Daarnaast moest de toekomstige bruid zich tot het christendom bekeren.†

Hiertoe moest ze gedwongen worden gedoopt en moest ze een nieuwe, christelijke naam aannemen, als teken van haar wedergeboorte.†

Kortom, een dergelijk regime werkte de vrije relaties tussen Europese mannen en Aziatische vrouwen bepaald in de hand. - Reggie Baay, 2008: De njai, verzwegen, verlaten en verguisd.

Earth of Mankind

[ Overigens: het njai-verhaal van Pramoedya Ananta Toer ‘Aarde der dingen’ – deel 1 van zijn tetralogie – is in IndonesiŽ verfilmd en als ‘The / This Earth of Mankind’ te vinden op Netflix. ]



Prostitues ?

Nog geen eeuw later is de eerste indruk voor de VOC-dienaren volstrekt anders. Eerste indrukken zijn belangrijk. In de verhalen naar huis wordt er volop over geschreven.†

Daarin is geen censuur, want de vraag naar ‘landgenoten’ is groot — 'tropenjaren tellen †dubbel voor je pensioen!'†

Maar niet iedereen is bij aankomst even enthousiast. (Zie ook het laatste deel van Samuel van de Putte.)


Op de kademuur viel de aankomende reiziger direct een kleurige wirwar van mensen op: inlanders, veelal met ontbloot bovenlijf en schamel gekleed, die zich afbeulden om bagage en goederen te Iaden en te lossen, en wachtende en paraderende Europeanen.

Veel heren in witte pakjes. Veel dames, de meeste in toiletten die niet goed thuis te brengen zijn in 't atelier van een Europese modiste. Hoeden, voiles, parasols doen denken aan een tweederangs-badplaats en toch weer niet. Verder tal van uniformen, sommige wit met gouden knopen.


Vrouw in drager bedienden


De Blanke gaat een winkel binnen, laten we zeggen, de winkel van een hindostanschen millionair. De millionair buigt zich diep voor den blanken toewan, die wellicht een gedroste matroos is of een valsche speler of een avonturier; maar hij is een blanke toewan.

Bas Veth

Het was een wereld van ontvangsten, van recepties en van gezien worden. Van de club, de soos, bals en van niet-spontane ochtend- en avondvisites. Het was belangrijk om uitgenodigd te worden, om vooraan te staan bij recepties en plechtigheden en om connecties te hebben.

Er waren allerlei rituelen die de hiŽrarchie in stand moesten houden, zoals strikte codes als het ging om wie belangrijk genoeg was om een hoge hoed te dragen, wie het eerst de ander diende te groeten, hoe en met wie men gezien kon worden et cetera: het Indische leven in vertoon, doet denken aan een pak mislukte fotografieŽn, aan een toneel van huisknechts en keukenmeiden, die voor “meneer en mevrouw” mogen spelen en provisiekast en wijnkelder de hunne achten. Bas Veth (schrijver en zakenman N.V. Gebroeders Veth's Handel-maatschappij, Padang, Sumatra).


Eerst enkele foto’s om te laten zien welke verschillende en ver van elkaar levende bevolkings-groepen de kolonialen probeerden te overheersen. Wie in Nederland de geschiedenis- en fotoboeken of etnografische studies erop naslaat, zou haast denken dat IndonesiŽ pas nŗ onafhankelijkheid (1945) islamitisch is geworden...



Bevolking landweg


- Ambtenaren groep

‘Juni 1898: de staf van de PidiŽ-expeditie in Atjeh in rust.'

Javanese prince + servantsBevolking Mentawei eilanden












Etnologisch onderzoek


- Vertrekkende Boot passagiers

'Na de opening van het Suez-kanaal waren de passagiers zes weken op elkaar aangewezen in beperkte ruimten.’ 1894


Batavia market


Bijbel Tanimbar groep


'Roversbende'

‘Een roversbende in de boeien geslagen.'

- militairen?

De automatische wapens die in 1906 op Bali werden ingezet. ‘Alle leden van de vorstenhuizen, mannen, vrouwen en kinderen, hulden zich in feestgewaad en stormden met lansen en krissen in de hand op de linies van de Knil-soldaten af. Dezen bleven vuren tot de laatste Balinees gevallen was.’


Bewoners NiasBewoners kopie















Islam new year 1910



Daar werd wat gruwelijks verricht

Hoe is het eigenlijk om slaven te hebben? Hoe verhoudt een slavenhouder zich na een doorgezakt avondje tot bediendes die zijn eigendom zijn? Reggie Baay is een van de weinigen die het zich afvroeg.

Tussen slavenhouders en slaven bestond een diepgeworteld wantrouwen. Ondanks een jarenlang verblijf in AziŽ bleef de Europeaan vol onbegrip voor de omringende Aziatische bevolking en in het bijzonder voor de hem omringende slaven. Sterker nog,†de laatsten waren volgens hem per definitie niet te vertrouwen. Wat dat betreft leefde de Europese slaven-eigenaar eigenlijk in een wereld waarin angst voor een belangrijk deel zijn leven bepaalde.

Belanda met tijger

Het gevaar bevond zich immers niet alleen ‘buiten’, in de Aziatische wereld, maar ook 'binnen’, in de eigen particuliere ruimte waar zich zijn slaven bevonden. Daar immers was hij omgeven door Aziaten die hij niet alleen niet begreep, maar die ook zijn ‘gevangenen' waren en hem dus naar alle waarschijnlijkheid niet goedgezind zouden zijn.

Belanda gezin + personeel

Die angst en het gevaar golden zeer zeker ook (misschien nog†wel het meest) voor situaties waarbij een lijfeigene heel dicht in de persoonlijke ruimte van de slavenhouder werd toegelaten:†wanneer de Europese slaveneigenaar in concubinaat leefde met een slavin, of wanneer hij met haar was getrouwd. — Reggie Baay, ‘Daar werd wat gruwelijks verricht’.


Njai foto's Nieuwenhuys

We zouden kunnen zeggen dat voor de meeste njais het leven in concubinaat eigenlijk gewoon een vorm van levensonderhoud was, een zaak van pragmatisme. Een situatie waarvan ze geen verwachtingen hadden behalve dan dat die (als het beviel) zo lang mogelijk duurde, omdat dit leven nog altijd beter was dan het leven als huisbediende, of, nog erger, een leven in grote armoede, zonder betrekking.

Er leeft bij de inheemse vrouw veelal geen verwachtingen als het ging om het begrip liefde. Ook al werden er formeel vanaf 1848 huwelijken gesloten tussen Europese mannen en inheemse vrouwen, in de inheemse wereld betwijfelde men of echte liefde tussen mensen van zulke verschillende rassen wel mogelijk was. Daarnaast was er natuurlijk de schande voor de familie. In ieder geval gold dit voor de inheemse aristocratie.

Babu met kind

Het gebrek aan geestelijk contact was de steeds terugkerende klacht uit de mond van de Europeanen die met een njai leefden. 'Wij leven naast elkaar en begrijpen niets van elkander,’ verzucht de Europese man in de autobiografisch getinte roman Van oerwoud tot plantage van de Hongaarse planter en schrijver Laszlo Szťkely.

Om er later nog aan toe te voegen: ‘Kartinah kookt en wascht voor mij, zorgt voor het huishouden, slaapt bij me en toch staat ze mij even ver als een kokospalm van een acaciaboom.’

In het concubinaat werden kinderen geboren. ‘Voorkinderen’ werden zij veelal genoemd, omdat ze voortkwamen uit een relatie die aan het huwelijk met de Europese vrouw voorafging. — Reggie Baay, ‘De njai’.

Bangka arrestanten


In een brief naar huis beschrijft J. F. van Reede tot de Parkelaar, gouverneur van Noordoost-Java, de vaak grimmige en wanhopige sfeer in de vestigingen in IndiŽ rond 1800:

‘Alles is ellendig en raakt elke dag meer in het slop. Twist en tweedracht, ja, totale vijandschappen heersen onder de heren in Batavia. Ontevredenheid, samenscholingen en protesten heersen onder de lagere rangen.

De Chinezen, waarmee de plaats propvol zit, en alle inlanders laten regelmatig merken dat zij het diepe verval en het onvermogen van de Compagnie doorzien.

De handel staat stil, het geldgebrek neemt hand over hand toe en men ziet geen ander geld rouleren dan de tot aanvulling van de contanten gemaakte kredietbrieven en het papieren geld […].

Hoe dit moet aflopen zal de tijd, die grote leermeester, ons leren. Maar ik vrees voor een fatale ontknoping van dit akelige treurtoneel.’ (Roeper & Van Gelder, In Dienst van de Compagnie).


VOC Japan kopie

Japanse tekening van VOC-dienaren.

Na een bestaan van zo’n twee eeuwen wordt de VOC eind 18de eeuw opgeheven. Wie de jaarbalansen naloopt, begrijpt dat een bedrijf dat een bijna volle eeuw verlies leed, volstrekt verrot en corrupt moet zijn. Alleen de Amfioen SociŽteit, waarin genode hoge heren de opiumwinsten onder elkaar verdeelden, maakte nog wel volop winst. (Zie deel 1: Stilzwijgend Profijt).


De Bazel

De fatale ontknoping was dat de failliete boedel eind 1799 werd overgenomen door de nieuwe Bataafse Republiek en dat het oude VOC-regime diende plaats te maken voor een liberaal koloniaal bestuur. Dit laatste kreeg overigens pas echt vorm toen Herman Willem Daendels in 1808 tot gouveneur-generaal werd benoemd. — Ger Oostindie - Postkoloniaal Nederland.


De verlieslijdende VOC-delen gingen over tot het nieuwe koninkrijk: met aan het roer de nieuwe ‘koning-koopman' Willem I, tevens vooraanstaand lid van de Amfioen sociŽteit en mede-oprichter van ‘het alles in IndiŽ opslurpende monster: de Nederlandsche Handels-Maatschappij’ (later ABN, Shell, etc).†

NHM tekening

De ‘gigantische VOC schuldenlast’ werd nog jarenlang afbetaald door het volk – zowel daar als hier te lande.

Na het vertrek van de Fransen (de napoleontische periode) en het ingrijpen van Het Driemanschap van 1813 –– Van Hogendorp (lid van de Amfioen sociŽteit), Van der Duyn van Maasdam (officier en kamerheer van de erfprins) en Van Limburg Stirum (luitenant-generaal der infanterie) –– veranderde Nederland tamelijk onverwachts in een heus koninkrijk mŤt kolonies Ťn vele slaven in particulier en staatsbezit.

Aan de reeds decennia veranderende mentaliteit rond slavernij in Europa had het koninkrijk in wezen geen boodschap.

De Franse filosoof Montesquieu (1689-1755) achtte slavernij, menselijke onvrijheid, in strijd met de natuurwetten. Despotisme hoeft niet te worden aangevallen met woordenpraal, maar door slechts duidelijk te maken dat het de despoot zŤlf is die tiranniseert.

Volgens Montesquieu zijn er vrijheden die in het leven impliciet aanwezig zijn, waarvoor geen bewijs nodig is en waarvoor geen enkel argument hoeft te worden aangedragen – zoals het recht om te leven en vrij te zijn naar lichaam en geest. - Researchgate


Plaster face casts of Nias islanders by J.P. Kleiweg de Zwaan circa1910

Gipsen gezicht afdrukken, †1910, collectie Rijksmuseum.


Schedelmeten

De Schotse liberaal-econoom Adam Smit (1723-1790) besefte dat slavenbezitters degenen zijn die de wetten maken en dat zij ‘het gezag van de meesters’ liever zouden versterken dan afschaffen.

Schedelmeter



Een beter argument leek hem (tijdens lezingen):

hoe meer concurrentie er is voor banen, hoe lager de salarissen van de arbeiders zullen zijn.

Slavernij bleef in Noord-Engeland van kracht tot 1872. -†Adamsmithworks


Tabaksbladeren scheiden


Zo ook in IndiŽ. Immers, zonder slaven geen lucratieve plantages voor suiker, koffie, tabak, thee, rubber of mijnbouw.

tekening Road to dividends

1862 ††‘Wat zou de slaaf tot arbeid kunnen prikkelen? Noch in zijn gewoonte, noch in zijn geringe behoeften, noch in zijn huidige ontwikkeling en beschaving is er sprake van een zodanige prikkel.†

En zolang die ontbreekt, moet die van buitenaf worden aangebracht. Desnoods moet hij tot arbeid worden gedwongen, opdat hij niet de wildernis zal invluchten.

Zo geeft de wet, in overeenstemming met de natuur, aan de vader macht over zijn kind, aan de voogd macht over de minderjarige.

Duymaer van TwistWie lange noch ohne

Hij die nog niet het punt van beschaving en ontwikkeling heeft bereikt om vrij en zelfstandig mens te zijn, zal van vrijheid misbruik maken. Zie daar wat de rede leert.’ — redevoering van liberaal parlementslid Duymaer van Twist, Nederlandse Staatscourant 1862,(het Nederlands enigszins geactualiseerd).


Pag tesamen


Toch verschijnen er sinds†1800 geregeld artikelen en pamfletten van voor- en tegenstanders van slavenhandel en slavernij, die enige invloed krijgen op de publieke opinie — onder degenen die kunnen lezen — maar hebben†‘natuurgenoten' wel voldoende ‘zielsvermogen’?


Teyler genootschap

Het Teylers Godgeleerd Genootschap in Haarlem organiseerde in 1792 een prijsvraag over de kwestie ‘in welke zin kunnen de menschen gezegd worden gelyk te zijn?’

De winnaar, de Amsterdamse rechtsgeleerde prof. Hendrik C. Cras, verkondigde dat de slavenhandel en slavernij getoetst moesten worden aan ethische en godsdienstige beginselen.†

†Verschillen zoals ‘zielsvermogen, huidskleur en andere uiterlijke kenmerken gaven geen recht iemand tot slaaf te maken en te verhandelen. Ook al waren Afrikanen volgens Cras niet zo beschaafd als Europeanen, ze waren wel ‘natuurgenoten’.

Bovendien vond hij de wreedheden van het systeem niet alleen beschamend maar ook bedreigend voor de toekomst want - vraagt hij retorisch - ‘moeten dusdanige mishandelingen niet enen eeuwigen haat tussen Blanken en Zwarten ontsteken?’ — Het Amsterdam Zwartboek, Alex van Stipriaan.

Deli contractarbeiders


Het probleem van de veranderende moraal over slavernij werd (en wordt nog steeds) ‘opgelost’ door het een andere benaming te geven –– en het systeem indirecter of anoniemer te maken met nagenoeg geen persoonlijke aansprakelijkheid.

Kolonieman

In tegenstelling tot Daendels is luitenant Johannes van den Bosch (1780-1844) minder bekend. Toch bedacht en introduceerde hij het cultuurstelsel in IndiŽ dat zoveel winst maakte – Ťn hongersnood veroorzaakte – dat hij z’n leven lang dikke vriendjes mocht zijn met Willem I, minister van koloniŽn worden en de koninklijke kastanjes uit het vuur mocht halen. Hij werd tot generaal benoemd, in de adelstand verheven en overladen met allerhande lintjes en ordes.

In de periode van 1830, het jaar van de invoering van het cultuurstelsel, tot 1850 vloeide gemiddeld eenzesde deel van ‘het batig slot’ in de Nederlandse schatkist. Wat er met het overige deel is gebeurd, blijft voor een groot deel gissen.. –†Reggie Baay, ‘Daar werd wat gruwelijks verricht’.


Contractarbeiders Aanzien


Deli miljoenen

1902 ††Zo kon het gebeuren dat de afdeling Medan van de Indische Bond op zaterdag 29 maart 1902 een vergadering aan dit onderwerp (slavernij) wijdde. In dit gezelschap verdedigde C. de Coningh de stelling dat het contractkoelie-systeem moreel niet te rechtvaardigen was:

‘Dat de koelies in onze Delische samenleving in de praktijk als slaven beschouwd worden, daarvan zijn voorbeelden te over. Dat zij het ook in werkelijkheid zijn en ook van regeringswege als zodanig geschouwd worden, blijkt uit de koelie-ordonnantie en uit het model werkcontracten, beide vastgesteld door de gouverneur-generaal.’ Dergelijke regelingen zouden, aldus De Coningh, in het Nederlands Burgerlijk Wetboek ondenkbaar zijn. [….]

Ook bij het aflopen van het contract bedienden de werkgevers zich van bedenkelijke praktijken. Ze gaven gelegenheid tot dobbelen en prostitutie, waardoor de koelies schulden maakten en een nieuw contract moest afsluiten. - Piet Hagen, ‘Koloniale oorlogen in IndonesiŽ. Vijf eeuwen verzet tegen vreemde overheersing.’


Deli Tabak Aanzien


Koning Willem I

'Koning-koopman' Willem I was behalve initiatiefnemer van de Nederlandse Handel-maatschappij – probeer dan maar eens als ;genodigde notabele’†om nžet deel te nemen aan een investeringsverzoek – †een van de weinigen of zelfs de enige die uiteindelijk z’n inleg met enige winst terug wist te halen.

‘Het financiŽle beleid van de koning ging echter verder dan het prikkelen van de goklust van beleggers.†

Aandeel NHM

†Het werd gecomplementeerd met een administratie die welwillend als creatief boekhouden kon worden aangemerkt, maar die vanuit kritisch standpunt uitsluitend de naam bedrog verdiende. - J. Koch, biogratie Willem I

Bij zijn abdicatie (1840) liet ‘de koning-koopman’ een formidabele puinhoop na. De hem omringende adel en elite hield zich echter Oost-Indisch doof, soms omschreven als ‘de discretie van de leidende klasse, oftewel wegkijken voor zaken die ongemakkelijk zijn’.


In Het Amsterdam Onderzoek brengt Reggie Baay op basis van parlementaire redevoeringen, Staatsblad en politieke verhandelingen de politieke strijd terug tot twee principale figuren: de pro-afschaffing van slavernij W.R. Baron van HoŽvell en zijn tegenstander Jan Jacob Rochussen.

HoŽvell & Rochussen

Van HŲvell is een ex-predikant met roemruchte voorvaderen (Van der Capelle) en nog bedenkelijkere schoonfamilie (Van Tuyll van Serooskerken).†

Rochussen is ’de representant van de Amsterdamse handelswereld, die zowel onder Willem I, II en III als minister aanbleef.’ - Wikipedia.


Rochussen nam het verzoekschrift tot afschaffing van de slavernij in IndiŽ van Van HoŽvell ogenschijnlijk welwillend in ontvangst, maar wel onder de voorwaarde dat er geen ruchtbaarheid aan het verzoek zou worden gegeven en dat vooral de bijgevoegde schriftelijke toelichting (die uitvoerig feitenmateriaal over de slavernij in IndiŽ bevatte) uit de openbaarheid zou worden gehouden. Maar vervolgens gebeurde er helemaal niets…

Rochussen HoŽvell

Ook niet nadat Van HoŽvell met klem bij Rochussen op actie aandrong. Ruim een jaar na het indienen van het verzoekschrift besloot hij dan ook zijn toelichting in boekvorm uit te geven onder de titel De Emancipatie der Slaven in Nederlandsch-IndiŽ.

In tegenstelling tot landen als Engeland en Frankrijk werd er in Nederland lange tijd geen wezenlijk debat gevoerd over de slavernij en de afschaffing ervan. Pas na ongeveer 1840 kwam er uit liberale en protestants-christelijke hoek een beweging op gang die de afschaffing van de slavernij stevig op de politieke agenda zette.

Voor alle duidelijkheid: in de discussie over (de afschaffing van) de slavernij die hier ontstond speelde de slavernij in de Oost overigens niet of nauwelijks een rol. Hoewel er gesproken werd van ‘de slavernij in onze koloniŽn’ richtte de discussie zich op de trans-Atlantische slavenhandel en de slavernij in de koloniŽn in de West. – Het Amsterdam Onderzoek, Reggie Baay, De stille afschaffing van de slavernij in Nederlands-IndiŽ.


IndiŽ was echter veel uitgestrekter dan de koloniŽn in het westen (Suriname, Antillen) tezamen. Er lagen zoveel meer kansen voor jonge ambtenaren, militairen, ondernemers en avonturiers uit de bekrompen, calvinistische renteniers maatschappij.


Belanda drie kamer


De nieuwe, soms haast onbegrensde mogelijkheden, de hogere traktementen dan in het moederland, het principe dat (met het oog op de pensioenrechten) tropenjaren dubbel telden, alles zorgde ervoor dat er nu voor velen een sterke aantrekkingskracht uitging van een carriŤre in de Oost.


Belanda binnenlandse bestuurders 2


De particuliere bedrijven en handel groeiden explosief en door de snelgroeiende Europese samenleving namen ook de overheidsdiensten als het Binnenlands Bestuur, het onderwijs, medische zorg en nutsbedrijven razendsnel in omvang toe.

Tussen 1895 en 1930 verzevenvoudigd het aantal ambtenaren.

Deli Trein mijnbouw

Er werden spoor- en trambanen aangelegd, er kwam gasverlichting in de grote steden, de Indische pers ontwikkelde zich ťn er ontstond een heus Europees cultureel leven in de kolonie, met [meer] drukkerijen en boekhandels, meer florerende sociŽteiten, muziek- en toneelgezelschappen en schouwburgen.

Het is de tijd die later bekend zal worden onder de naam Tempo doeloe (vroegere tijd), de periode van 1870 tot circa 1920, die achteraf het hoogtepunt van het koloniale leven in Nederlands-IndiŽ zou blijken te zijn. — Reggie Baay, De njai.


ABC

Het Oranjehuis, Van Oldenbarnevelt, Hoogezand-Sappermeer…†in IndiŽ moest de lokale bevolking van alles over Nederland en haar geschiedenis leren, maar omgekeerd weinig tot niets.

Anton de Kom

1934 † †‘Geen beter middel om het minderwaardigheidsgevoel bij een ras aan te kweken dan geschiedenisonderwijs waarbij uitsluitend de zonen van een ander volk worden genoemd en geprezen.’ - Anton de Kom: Wij slaven van Suriname.

1998† † De slavernij-herdenking werd een landelijke discussie toen de Afro-Europese vrouwenbeweging Sophiedela een petitie indiende waarin zij een gedenkteken eiste:

‘Let wel, in toenemende mate vindt er ook identificatie plaats met politieke bewegingen in de Verenigde Staten van Amerika en Engeland waar jaarlijks Afrikaanse Surinamers naar toe trekken om met anderen de geschiedenis van Afrikanen in de onderhavige landen te herdenken.

Ook vinden de laatste jaren vele reizen plaats richting West Afrikaanse gebieden om daar aan voorouderverering te doen, een manier om te reinigen. En dat is goed. Wij weten dat er in Nederland in dit verband nog op specifieke bedachtzame en nuchtere wijze tegen de geschiedenis en actualiteit wordt aangekeken.’

Boekenlijststichting Sophiedela

Om het heel nuchter te stellen:†wij zijn hier omdat jullie daar waren.

De stichting Sophiedela verlangt ‘een herziening van standpunten’ zoals punt 26: dat de periode 1650 tot 1863 niet in de ‘doofpot’ moet worden gestopt maar als wezenlijk onderdeel van de Surinaamse en Nederlandse geschiedenis moet worden gezien’.

Verder verzoekt Sophiedela het Nederlandse kabinet om excuses en ‘het herschrijven van de Nederlandse geschiedenis vanuit een ander etnisch cultureel perspectief voorzover het betreft de leemten over de slavernij’ alsmede om ‘ruimte te reserveren voor het oprichten van een ‘gedenkteken’ op z’n minst te doen honoreren’.

Reggie Baay

2020 † Gezien de recente vloed aan boeken over slavenhandel en slavernij lijkt Nederland enigszins te ontwaken uit ‘de diepe slaap van de gevestigde mening’.

Zoals te lezen valt, heb ik veelvuldig Reggie Baay geciteerd — een van de weinige schrijvers die dankzij details en gezichtspunten het onderwerp tťvens invoelbaar weet te beschrijven.

KW Willem i, 2, 3 kopie

Enkele publicaties verwijzen naar de desastreuze, geldbeluste bemoeienissen van het Oranjehuis met de koloniŽn. Geen ervan, zover ik las, stelt echter met zoveel woorden, dat met name de koningen Willem I, II en III afschaffing van slavernij zo lang mogelijk tegenwerkten.


Knil leger kopie


Mogelijk is deze link nog een welkome aanvulling:

https://www.theguardian.com/world/2020/dec/12/hes-the-mp-with-the-downton-abbey-lifestyle-but-the-shadow-of-slavery-hangs-over-the-gilded-life-of-richard-drax

‘Hij is het parlementslid met de Downton Abbey levensstijl. Maar de schaduw van de slavernij hangt over het vergulde leven van Richard Drax…’


werkers


Stilzwijgend profijt deel I

Blog inhoud

Home








Stilzwijgend profijt

Stilzwijgend profijt

STADSSCHOUWBURG 2


Tijdens de livestream presentatie vanuit de Stadsschouwburg van het boek Revolusi, waaraan de Belgische schrijver David van Reybrouck zo’n vijf jaar van zijn leven wijdde, zei hij te willen bereiken dat de drie, vier eeuwen Nederlandsch-Indische geschiedenis niet langer in het Rijksmuseum verdwijnen naar het zaaltje ‘Nederland Overzee’ maar een geÔntegreerd deel zullen vormen van het museum.

Mooi verbeeld.

Revolusi

Toch suggereert Revolusi dat het om Nasional Indonesia gaat, terwijl het feitelijk tot de uiteindelijke overdracht in 27†december†1949†een revolutie binnen het Koninkrijk der Nederlanden betreft.

De eerste 150 bladzijden†vatten alles dat je her en der over de Nederlandsch-Indische geschiedenis las, bondig samen – Ťn zoveel meer. (Nooit bij stilgestaan, bijvoorbeeld, dat de Aceh-oorlog mede ontstond door de aanleg van het Suez-kanaal.) De overige†400†gaan vrnl. over de†Bersiap†resp. de onafhankelijkheidsoorlog.

Naar mijn smaak is Revolusi soms wat te vertellerig of zelfs theatraal, maar anderen vinden dit wellicht een leesbaardere vorm dan een opsomming van feiten. Aankleding beklijft, zeker.†

En zelden las ik de VOC zo bondig samengevat:

Twee kolonialen bediende kopie

Het leek aantrekkelijk, zo’n handels-onderneming als de†VOCuitrusten met politieke en militaire middelen om lucratieve monopolies af te dwingen, maar in de praktijk werd het onhoudbaar:†

als elk schip kanonnen en soldaten aan boord moet hebben, als elk depot ook een fort moet zijn, als elke haven bevochten dient te worden, als moeizaam verkregen monopolies ineens waardeloos blijven, als steeds meer handelswaar zelf gekweekt moet worden, als de ene helft van het personeel meteen geveld wordt en de andere helft de boel belazert, dan wordt het een prijzige zaak, zo’n ‘loflijcke’ handelscompagnie.


Als ik het goed verstond, verschijnt er begin volgend jaar een drie-delige tv-documentaire over de reizen die Van Reybrouck voor zijn onderzoek ondernam naar diverse uithoeken van IndonesiŽ, naar Nepal (ivm. voormalige Gurkha-soldaten in het Brits-Indiase leger) en elders. Revolusi wordt ongetwijfeld de bestseller onder de vele boeken die recentelijk over slavernij en het koloniale verleden verschenen. En toch...

Boek Reggie Baay

Om een goed beeld van de met IndonesiŽ†gedeelde geschiedenis†te krijgen, verwijs ik ‘toch’ liever naar o.a. de schrijver Reggie Baay (De Njai), de socioloog en historicus Hans Derks (Verslaafd aan opium, de†VOC†en het Huis van Oranje als drugdealers)†of naar lifelong researcher Ewald Vanvugt (Roofstaat, wat iedere Nederlander moet weten).

†Al was het alleen al omdat deze diepgaande studies ook in de vloed aan nieuwe, wetenschappelijke boeken†ontbreken, zo niet zorgvuldig gemeden lijken te worden. Misschien brengt het recente ‘Oranje Zwartboek, de ontluisterende geschiedenis van onze koninklijke familie door NIOD-onderzoeker Gerard Aalders daar nog enige verandering in.


Boekenlijst

‘Het is tijd om de identiteit van onze stad opnieuw te kunnen definiŽren zonder de ballast van het verleden, maar wťl met de kennis ervan ťn de verzoening in de toekomst,’ vond de Amsterdamse gemeenteraad dd 25 juni 2019.

‘Rotterdam zat tot over zijn oren in de slavernij, is de conclusie van een groot onderzoek naar het koloniale en slavernijverleden van de stad dat in opdracht van de gemeente is verricht.’ — Stichting Gedeeld verleden, gezamenlijke toekomst, Rotterdam.

Beide steden lieten vorig jaar ‘een wetenschappelijk onderzoek’ instellen. ‘Met behulp van tientallen experts uit binnen- en buitenland’ verschenen er recentelijk twee kloeke verzamelingen met ‘ruim veertig essays’.

‘Het Nederlandse slavernijverleden,’ stelde Glenn Willemsen (eerste directeur van het Nat. Inst. Nederlands Slavernijverleden en Erfenis (NiNsee), ‘bleef tot aan het eind van de twintigste eeuw een non-issue in zowel het publieke domein als in het collectieve geheugen van de Nederlandse samenleving’.

‘De plaats die slavernij intussen heeft in de publieke herdenkings- en herinneringscultuur, museale tentoonstellingspraktijken en publieke debatten, films en documentaires is onvergelijkbaar met die van tien jaar geleden.’ - Het Amsterdam Onderzoek.

Met als resultaat een hausse aan boeken over slavernijhandel en kolonialisme.


VOC logo

‘Het zou moeilijk zijn een symbolischer moment te vinden voor de stad Amsterdam om de omgang met dit wereldwijde slavernij-verleden opnieuw te bezien dan de aanloop van 2021.†Dat jaar is het zowel vierhonderd jaar geleden dat de VOC op de Banda-eilanden de eerste volledig op slavernij gebaseerde kolonie onder Nederlands bestuur inrichtte, als vierhonderd jaar sinds de oprichting van de WIC die al snel daarna de leiding nam over de Nederlandse slavenhandel in het Atlantisch gebied. Amsterdam was in beide ondernemingen zowel medegangmaker als belangrijke begunstigde.’ – De Slavernij in Oost en West, Het Amsterdam Onderzoek (HAO).

Medegangmaker, begunstigde...†de poging om geschiedenis minder zwart-wit te stellen leidt soms tot onzinnige eufemismen –– dader en heler? Opmerkelijk is ook dat HAO de Banda-eilanden als soort van ijkpunt van†wereldwijde slavernijverleden†lanceert. Hun onderzoek gaat evenals de meeste van de nieuw-uitgebrachte boeken voornamelijk over de Atlantische slavenhandel (vrnl. van Afrika naar Amerika) en de afschaffing daarvan; nžet over het bezitten van slaven.


Boek Piet Emmer

De gangbare uitleg van de omslag tot ‘abolitie’ luidt volgens de meeste huidige historici: Britse dominees voeren mee op schepen, predikten bij thuiskomst over de geobserveerde onmenselijkheden, de christelijke toehoorders vonden elkaar in deze good cause voor meer aflaat, slavenhandel werd officieel verboden en een aantal Britse schepen lagen zelfs enkele jaren als politie voor de kust van Afrika om ook andere landen ervan te weerhouden (op wiens kosten werd mij tot nog toe niet duidelijk).


Piet Emmer

‘Ook de discussie over de oorzaken van de afschaffing van de slavenhandel lijken geen einde te nemen,’ schrijft emeritus hoogleraar Europese expansie en migratie Piet Emmer in zijn meest recente boek: Geschiedenis van de Nederlandse Slavenhandel.†‘Het idee dat daaraan geen economische, maar godsdienstige en ideŽle motieven aan ten grondslag lagen, bevalt niet iedere onderzoeker.’

Geschiedenis kun je alleen in z’n tijd bezien, zeker, maar dat gaat ook op voor de geschied-schrijver. Nogal wat mensen struikelen over Emmer's toon en woordkeuze, met name in interviews op internet:†geringschattend, bagatelliserend of arrogant.

Maar Emmer is†simpelweg†het type 20ste eeuwse wetenschapper: je kennis niet ter discussie stellen maar quasi achteloos uit de mouw schudden want vanzelfsprekend en juist. Elke vorm van inleven is des amateurs.


Tropenmuseum wanddecoratie


Het 'door christelijk toedoen afgeschaft’†komt inderdaad over als een Europese zelffelicitatie. Zijn er in plaats van al die emeriti-professoren op YouTube tegenwoordig niet een paar emeriti-ceo’ers om de ‘zakelijke overwegingen’ van koloniaal Europa te analyseren?

Hoe zou het komen dat het uitbannen van de slavernij - ondanks christelijk misprijzen - dan toch zo langdurig verzet en bloederige strijd opleverde? Kon er pas afschaffing plaatsvinden nadat er alternatieve winstsystemen waren gevonden en ontwikkeld?


Boek Harrison

‘Dat de strijd ten slotte met succes werd bekroond had weinig te maken met het abolitionisme als zodanig. Het was een combinatie van twee andere factoren.†

Ten eerste werden de Zuidoost-Aziatische staten stabieler, waardoor ze de arbeidskracht van hun onderdanen beter konden controleren.†

Ten tweede ontstond er een plattelandsproletariaat dat zijn diensten verkocht in ruil voor loon.†

Loonarbeid werd zo een goedkoop en efficiŽnt systeem voor het exploiteren van de arbeidskracht van het volk dat de slavernij wegconcurreerde.’ –†De geschiedenis van de Slavernij, door de Zweedse historicus Dick Harrison (2019, jammer dat de vertaling van de 704 blz. van dit uitstekende boek zulk krom Nederlands opleverde).


Het antwoord bevindt zich wellicht in de Zuidoost-Aziatische geschiedenis, maar verkenning van de Nederlandsch-Indische slavernij ligt kennelijk aldoor nog te gevoelig.

Raffles

‘Sir Stamford Raffles en de Britten, die Java tijdens de napoleontische oorlogen hadden bezet, verboden de slavenhandel in 1813. De Nederlanders, die hun kolonie terugkregen toen het vrede werd in Europa, handhaafden het verbod in 1818.†

Daarmee is niet gezegd dat de handel ophield. Scheepsladingen slaven van de eilanden Flores, Soemba, Sumatra, Bali en Nias bleven naar Lombok, Birma, Singapore en de steden van het schiereiland Malakka vervoerd worden.

Voor Nederlandse Imperialisten was het verbod een geweldig excuus om de eilanden die mensen exporteerden binnen te vallen. Het was de plicht van de Nederlanders om de last van de witte op zich te nemen en ter plekke de slavernij uit te roeien.

Dat zei men tenminste.

VOC munten

De retoriek was bedoeld voor de moralisten thuis in Den Haag. In feite hadden het 19de-eeuwse Nederlandse koloniale leven een even ruim geweten als hun voorouders in de 17de en 18de eeuw, maar ze waren slimmer. Nog meer dan voorheen hebben ze zich aangepast aan de traditionele Zuidoost-Aziatische methoden om mensen te dwingen te werken zonder hen in regelrechte onvrijheid te brengen.

Tussen 1830 en 1860 maakten Nederlandse plantage-eigenaren als nooit tevoren gebruik van de gebruikelijke†dwangarbeid van de vrije boer. De arme Javanen werden gedwongen om exportgewassen te produceren voor gemiddeld twee-vijfde van hun werkuren, een systeem dat officieel ‘cultuurstelsel’ werd genoemd.†

Geen enkele vorm van slavernij in het negentiende-eeuwse Zuidoost-AziŽ kwam ook maar in de buurt van deze systematische uitbuiting van inheemse arbeidskracht. '

‘Voor de heren in Den Haag leek de slavernij lang een specifiek West-Indisch probleem, niet Oost-Indisch. In 1863 werden ongeveer 43.000 slaven bevrijd in Suriname en op de Antillen, maar geen in Nederland-IndiŽ.’ - Dick Harrison.

‘Slaaf'

Slaven of slaaf gemaakten – het heeft weinig zin een nieuw begrip te verzinnen als het oude woord niet wordt verstaan. Of zoals Cynthia Mcleod het ergens op internet verwoordt: ‘Het woord slaaf impliceert tot slaaf gemaakt. Als die lui in de VS dat anders zien, dan moet zij dat maar weten.’

Als verzamelwoord sluit ‘slaaf’ bovendien vele categorieŽn niet uit: slaaf-geborenen, schuldslaven, gedwongen contract- of migratiearbeiders, kinderarbeid – alsmede 'verslaafd gemaakten'.


follow

Even verder terug in de geschiedenis. Europa bezat of produceerde na de middeleeuwen nagenoeg niets dat AziŽ bekoorde. Met name het Chinese Rijk had of maakte alles zelf - en doorgaans beter. Het enige dat hen werkelijk ontbrak was een geschikt betaalmiddel.

Het innen van belasting in natura was onhoudbaar geworden. De circa 300 miljoen inwoners hadden echter geen vertrouwen in het bankpapier dat het keizerlijk regiem introduceerde.†

zilver china

Rekeningen vereffende het volk onderling liever in goud, zilver of koper. Goud was gauw teveel, bronzen munten gauw te zwaar, dus kwam zilver veelal het best van pas.

Aanvankelijk voorzagen omringende landen als Japan en India in de aanvoer, maar door een opbloeiende binnen-landse economie bleef de vraag in China aldoor groeien. Bijgevolg lag de waarde van het edelmetaal in AziŽ hoger dan in de rest van de wereld.

Veel zilver, inclusief omgesmolten sierwerken en tafelzilver, verdween uit Europese landen op de compagnieboten om te kunnen inkopen. Uiteindelijk haalde Spanje het meeste edelmetaal met halfjaarlijkse zilvervloten uit Zuid-Amerikaanse mijnen naar Manilla. (Zie de zilverroute)

De overige Europese compagnieŽn konden hier niet tegenop. Om toch te kunnen inkopen, dreven ze handel tussen de kusten van India, IndonesiŽ en China. Bijvoorbeeld met katoen, edelhout of erts.†

voc zilver

Een†VOC-schip keerde nog hooguit eens in de vijf jaar terug naar Amsterdam – al liggen daar meer redenen aan ten grondslag. Zo zag pakweg 50 % van de geronselde bemanning die de heenreis had overleefd, nog weinig reden om het ‘tropisch paradijs’ weer in te ruilen voor het ‘calvinistische kikkerlandje’.


wereldbevolking

In de loop van de 17de eeuw ontdekten zowel de Engelse als de Hollandse compagnieŽn hoe veel makkelijker en profijtelijker het vervoer van opium kon zijn.†

Vooral als je ergens een monopolie wist op te bouwen – door alle anderen als smokkelaars te berechten – en met militair geweld de afzetmarkt kon vergroten: meer mensen verslaafd maken.


Maharaj India

De regio boven Calcutta – Bengalen – teelde de hoogste kwaliteit.†

Men verbouwde er opium als middel tegen pijn.†

De bijeffecten waren uiteraard bekend. Daarom stond opium – evenals marihuana trouwens – in AziŽ bekend als ‘medicijn voor oudjes’.†

Zoals te bespeuren bij deze oude Maharaj in 19de eeuws Brits-India.

Nog steeds stammen de meeste pijn-stillende medicijnen af van opiaten en nog steeds kan men er verslaafd aan raken:†

De VS consumeren met 5% van de wereldbevolking zo'n 80% van de jaarlijkse wereld-productie aan opioÔden. Het land kent 2,5 miljoen verslaafden aan dergelijke middelen (cijfers 2017).


Opioiden staatje

De oorzaak van de massale verslaving en sterfte wordt vaak gelegd bij het overdreven voorschrijven van opioÔden sinds de jaren 90, toen farmaceutische bedrijven herformuleringen van dergelijke verslavende pijnstillers op de markt brachten en deze bij patiŽnten en artsen aanprezen als oplossing voor chronische pijnen.†

Dergelijke middelen zijn goedkoper dan andere therapieŽn en leveren de farmaceuten hoge winstmarges op. - Wikipedia


Opium fabriek Bengalen


't Hof niet altijd winter schip – Versie 2

We moeten voort.†

Mettertijd veranderden de Europese Oostindische compagnieŽn in militaire handelsorganisaties.†

Mede dankzij oorlogen in Europa – en de Hollandse fixatie op het behouden van monopolies (‘toch?’) – legde de†VOC†het af tegen de Britse East India Company (EIC).

De intra-Aziatische handel, die in het begin zeer winstgevend voor de†VOC†was geweest, bracht al vanaf het einde van de zeventiende eeuw geen winst meer op. - wikipedia




opium kopie 2


opium imports into China

Het enige, werkelijk winstgevende monopolie dat overeind bleef, was opium. De Britten kregen met de kolonisatie van Bengalen de productie in handen.†

Ze richtten zich dermate openlijk en agressief op het verslaafd maken van China dat er twee opiumoorlogen uit voortkwamen. De afzetmarkt in IndonesiŽ lieten ze over aan de Hollanders.


Boek Hans Derks

In deze jaren heeft Engeland de slavernij afgeschaft, Nederland niet. Alsof dit gecompenseerd moest worden heeft Engeland een heel brutaal en omvangrijk opiumoffensief ingevoerd om de Chinezen met geweld tot opiumverslaafden te maken.†

Frankrijk, USA en anderen hebben hun steentje daaraan bijgedragen. Nederland heeft hetzelfde gedaan als de Engelsen, maar zich voornamelijk op de Indische archipel geconcentreerd. - Hans Derks

Noodgedwongen overigens, want Nederland was op zee allang geen machtsfactor meer.†

Als de Bataafse Republiek na de Franse bezetting overgaat in het Koninkrijk der Nederlanden (1815) heet IndonesiŽ ineens officieel ‘onze kolonie’.


Opium tekening

‘Javaanse regenten en bestuurders kamen plots direct onder een koning in het verre Holland te staan, die ook hun ontslag en benoeming ging regelen. Daarmee werden zij ambtenaren van Oranje. De bevolking werd ook veel directer dan tijdens de†VOC†gebonden aan de in Europa te verhandelen land- en mijnbouwproducten’ (zoals koffie, katoen, tin of olie).

‘Opium verzekert niet alleen een ‘batig slot’ voor de staatsbegroting, het bevordert ook de rust in het opstandige Java en de buitengewesten.’

‘Tot het jaar van publicatie waren de netto opiuminkomsten voor de koloniale autoriteit altijd de derde bron van inkomsten na de landrente en de koffie.’ - Hans Derks


Opium uithangbord


Boek Ewald Vanvugt kopie

Ewald Vanvugt schrijft in Roofstaat dat de eind 19de eeuwse Dienst der Opiumregie een dermate succes was op Madoera, dat in 1904 besloten werd om in Keramat (Weltevreden) een omvangrijke gouvernement-opiumfabriek te bouwen, voorzien van spoorlijn naar de haven om de tonnen heulsap aan te voeren.

Het van staatswege geproduceerde en verpakte rookopium bracht een van de grootste en best ingericht industrieŽn naar Batavia. Hier werkten onder een staf van tientallen Europeanen ruim duizend inheemse dagloners. In veel boeken over de industriŽle nijverheid in Oost-IndiŽ stond naast de foto’s van de elektriciteitscentrale en de suikerfabriek ook een foto van de opiumfabriek.†

Opium tubes

De machines waarmee tubes met gebruiksklare opium werden gevuld, waren aangepaste machines uit de Nederlandse verfindustrie.

Aan het begin van de 20ste eeuw voerde de Nederlandsch-Indische overheid jaarlijks ruim honderd ton ruwe opium uit Bengalen aan die in de staatsfabriek werd verwerkt tot ruim zeventig ron rookopium.†

Het wettig verbruik nam in 1914 met een sprong toe.


staats opiumfabriek arbeiders


Ewald Vanvugt Nestbevuilers

Door de eeuwen heen had de overheid in de gedaante van de†VOC, de AmfioensociŽteit, de Nederlandsche Handel-Maatschappij of een ander lichaam in AziŽ uitsluitend gehandeld in ruwe opium. Met de komst van de Dienst der Opiumregie staan de cijfers van de wettige opiumafzet voortaan voor de zorgvuldig gezuiverde, gekookte en gebruiksklare tjandoe of rookopium. In 1914 produceerde en verkocht de overheid ruim honderd ton tjandoe.


staatsfabriek kistje


Net als in de†VOC-tijd kon het monopolie alleen succesvol zijn als er niet werd gesmokkeld. De handhaving van het monopolie werd beschouwd als een onderdeel van de bestuurstaak en niet als een afzonderlijke tak van dienst.†

†Het centrale gezag beheerde nog altijd zelf de opiumhandel. De bestrijding van de opiumsmokkel ging samen met de afbakening van de buitengrenzen, de grensgeschillen met inheemse rijken leidden tot oorlogen en uitbreiding van het Nederlandsch-Indisch gebied.’


Ned. Mil. Expedities 1816-1926

Met andere woorden: het drugsmonopolie werd beschermd met het staatsleger en belasting-geld. Elders las ik dat de ‘narco-militaire dealers’ de hoge kwaliteit uit Bengalen eerst nog versneden met goedkopere opium uit Turkije.

De†VOC†ging over in de Nederlandsche Handelsmaatschappy (1860) met Koning Willem I als grootaandeelhouder.

In het voorwoord bij Ewald Vanvugt’s boek Wettig Opium merkt prof.dr. W.F. Wertheim op dat je de indruk krijgt dat er sinds begin 1900 ‘een stilzwijgend taboe rust op de behandeling van het Nederlands-Indische opiumgelei klopt voorgaand woord? als een nog steeds uit het koloniaal verleden overgeverfd pijnlijk vraagstuk’.


Boek Aalders

Gerard Aalders over koning Willem I in Oranje Zwartboek: Hoe de winst werd gemaakt, deed er niet toe. Het lot van de Indische bevolking interesseerde hem niet. Het Cultuurstelsel, ingevoerd in 1830, was weliswaar zeer profijtelijk voor het ‘moederland’ maar voor de lokale bevolking was het niets minder dan een ramp.†

†Het stelsel dwong de inheemse bevolking twintig procent van haar vruchtbaarste grond te gebruiken voor het verbouwen van koffie, thee, suiker, rubber, indigo en andere producten die allemaal bestemd waren voor de Europese markt.

De levering gebeurde in natura. Als vergoeding kregen de boeren een ‘plantloon’. Wie niet in staat was de gewenste producten te leveren, moest maximaal 66 dagen per jaar voor het gouvernement werken. De NHM (‘een staatsbedrijf’), waarin de koning zelf grootaandeel-houder was, vervoerde en verkocht de producten in Europa voor rekening van de Nederlandse regering.

NHM tekening

Volgens het kantoor van de NHM in Batavia was het opiumgebruik ‘verwoestend voor de zedelijkheid, werkzaamheid en vermenigvuldiging van de bevolking’. Maar opium was ook prima voor de winst en daar ging het tenslotte om.

De geldbeluste Willem I handelde bewust in opium om arbeiders koest te houden.

De behandeling van de Javanen, toch ook onderdanen van koning Willem, was allesbehalve menslievend. Willem speelde in de Oost zeker niet de rol van de Vader des Vaderlands.†


KW1

De vele doden die het bewind van de Oranjes in de Indische archipel (1816-1949) op zin geweten heeft, zie je zelden in boeken en biografieŽn over hun respectievelijke levens vermeld.†

Ook over opium is in de literatuur weinig of niets terug te vinden. Evenmin als over de gruwelijke oorlogen die er werden uitgevochten.†

Toch was Willem I persoonlijk verantwoordelijk voor de bloedige Java-oorlog (1825-1830), die aan circa 200.000 IndonesiŽrs het leven heeft gekost. Aan de Nederlandse kant vielen in deze koloniale oorlog ook nog eens 15.000 man.


Als voorbeeld van ‘de Oranjes als drugsdealers’ werkt Hans Derks uit hoe bestaande tinmijn-contracten op het eiland Bangka-Billiton (tussen Sumatra en Kalimantan) pardoes worden geschrapt ter faveure van Willem’s kleinkind, prins Hendrik (1820-1879) die voorzien van Oranje-kapitaal zich samen zijn adelijke vriendjes Tuyll van Serooskerken en John† Franciscus Loudon in zaken wil steken.


Hendrik & Serooskerken & Loudon


Opstand tegen de werkomstandigheden wilden ze voorkomen door niet de lokale bevolking in de mijnen tewerk te stellen maar Chinese arbeiders te importeren met een contract voor vijf jaar. Feitelijk was hun vervoer naar Bangka een hoge kostenpost, maar dat viel wel weer mee als de terugreis verviel.

Ned Ind poster

De ergste ziekten waren, volgens Loudon’s dagboek, de ‘niets beduidende beenwondjes die de arbeiders opliepen tijdens het openkappen in de mijnen’. Wondjes die mettertijd overgingen in afzichtelijke wonden met koudvuur of nat gangreen waarna een tijdige amputatie de enige kans op overleven nog zou kunnen zijn.

In hun Billiton Maatschappij-administratie wordt de kolom van de dividenduitkering direct geflankeerd door de kolom van de jaarlijks overleden Chinezen: ‘Sterfte Percentage Mijnwerkers’.

Opdat de contractarbeiders het zware werk volhielden, importeerden het drietal opium dat ze verhandelden aan enkele Chinese dealers om in de omringende theehuizen door te verkopen.

Doorgaans zat de contractarbeider weldra op twee pijpjes per dag –– een half dagloon.


NHM + beelden

‘De Chinezen die op Billiton werken,’ schreef de Franse medicus Georges Thilbout in 1912, ‘worden in feite behandeld als slaven gedurende de vier of vijf jaar van hun contract.†

Als zij toegeven aan de verleiding die uitgaat van de kleine huizen langs de randen van hun werkplekken, waar zij opium kunnen vinden, kunnen zij hun hoop op vrijheid de rest van hun leven niet loslaten.’

Coen daendels Heutz


Voorwaarts weer. Uiteindelijk nam Shell in 1970 de Billiton Maatschappij over.†

Na uitbreiding in Nieuw-Guinea, Sulawesi,† RhodesiŽ, Peru, BraziliŽ, Colombia, AustraliŽ en elders is de voormalige mijnbouwmaatschappij thans een top global multinational onder de naam BHP Billiton.†

Onder haar aandeelhouders bevinden zich wellicht nog erfgenamen van de oprichters en van andere Nederlandsche adel. (zie wikipedia)


Billinton 1851


Een VOC Aandeel

Inmiddels gaat het grote bedrijfsleven officieel niet langer om individuen.†

Net als in het prille begin van de roemruchte Hollandse vinding van Het Aandeel gaat het in essentie nog steeds over Naamloze Vennootschappen.†

De beste vertaling van een NV is wellicht:†Niemand Verantwoordelijk.


‘Het grootste probleem is dat de onderzoekers zich hebben blindgestaard op het verband tussen slavernij en economie. Omdat slaven een arbeidskracht vormen, is men ervan uitgegaan dat relaties op de arbeidsmarkt van fundamenteel belang zijn voor de ontwikkeling van onvrijheid.†


Decoratie Tropenmuseum


De onderzoekers hebben de slavernij teruggebracht tot wiskundige berekeningen over vraag en aanbod, winstmarges, winstgevendheid en efficiŽntie.†

Maar de slavernij is oneindig veel meer dan economie.†

Slavernij gaat over vermeende superioriteit en minachting. Slavernij gaat over status. Slavernij gaat over sex, luxe en gemak. Slavernij gaat over traditie. Slavernij gaat over macht.'

‘Wanneer dergelijk gedrag routine wordt en deel uit maakt van de alledaagse trage structuren, wordt het moeilijk uit te roeien.’ - Dick Harrison


Houtsnijwerken samen

Twee houtwerken - ongeveer 70 x 70 cm - die ik ooit kocht zonder hun geschiedenis te kennen. Ik vermoed dat ze in een afgebroken gebouw hebben gezeten en dat ze de West-Indische en Oost-indische kolonies voorstellen.


Het heeft weinig zin hier nog over hedendaagse slavernij te beginnen. Bekijk de nieuwe zomercollecties als ze gedrapeerd staan in de modewinkels met een prijskaartje van € 9,98 per jurkje of t-shirt (incl. 21 % BTW, importbelasting, verzend- en overheadkosten), hoor lachende opmerkingen als ‘wel zo handig, dan hoef je ze ook niet meer te wassen’ en het is duidelijk waar hedendaagse slavernij over gaat:†‘onverschilligheid'.

De vroege†VOC'ers hadden er ook een term voor: ‘stilzwijgend profijt’.


Black Friday



Index†artikelen

Movies

Maluku ‘84

Home



Verstrikt in identiteiten

- Moluks fluitorkest


Afgelopen 28 oktober 2020 publiceerde NRC de bijdrage: ‘Dekoloniseer het Molukse verhaal van trots en verraad’, geschreven door fotograaf Geronimo Matulessy. Het eindigde met de oproep:

'We moeten ons losmaken van de postkoloniale, afhankelijke houding. In het reine komen met onze dubbele identiteit van onderdrukkers en onderdrukten.’

Als je ‘het Molukse verhaal’ wil schetsen, is met termen als dubbele identiteit en onderdrukten - onderdrukkers de toon bij voorbaat gezet en de blik ernstig beperkt tot het hier en nu. Het lijkt erop dat Geronimo Matulessy (derde generatie) verstrikt is geraakt in het huidige zwart-wit denken.†

De allereerste, simpele vraag is uiteraard: hoe en waarom kwamen jongemannen van o.a. de Molukse eilanden in uitheemse legers terecht? Factoren als vier eeuwen - hoe dan ook - gezamenlijke geschiedenis hadden tot gevolg dat vele Molukkers werkzaam waren voor of met Hollanders. Als onderwijzer, kantoorklerk, dominee en ja, ook als soldaat.†


Studio opname


De oorzaken ultra kort samengevat:†1. op de eilanden was te weinig werk nadat de opgelegde monocultuur van kruidnagel het aflegde tegen de nieuwe aanplant op Zanzibar † †2. Molukkers waren veelal de Hollands taal machtig†3. vormden een christelijke uitzondering in een islamitisch miljoenenrijk.

Matulessy zou zich wat meer in militaire geschiedenis kunnen verdiepen. Legers hadden eeuwenlang en wereldwijd vaak een zelfde opzet als de VOC-schepen: een kleine elite van officiers die ergens een fortuin probeerden te vergaren als hoofd van een allegaartje aan manschappen: werkloze soldaten, boerenzonen zonder land, ontsnapte gevangenen – aangelopen van overal en nergens.†

Spanjaarden, Duitsers, Fransen zaten onder anderen in het Hollandse leger, ook al bestonden al deze nationaliteiten als staat met vaste grenzen nog niet of nauwelijks.

Dat jongemannen van de Molukse eilanden voor het Hollandse leger tekenden, wil geenszins zeggen dat ze achter dezelfde belangen stonden. Bovendien was dit allerminst ongebruikelijk. De Nederlands-Indische elite keek eerder naar de Engelsen in India of de Fransen in Indochina dan naar de richtlijnen vanuit Den Haag.

De elite van Nepal (waar ik voor mijn werk dikwijls ben geweest) ronselde jaarlijks een contingent Gurkha-soldaten voor de Britten om de buren in India eronder te houden. Grote aantallen Sikhs vochten in het Brits-koloniale leger in China. In al deze legers zaten huursoldaten uit Europa, Afrika en AziŽ (inclusief zwaardvechters uit Japan).

Dat het al deze manschappen – ver weg van huis – weinig uitmaakte voor of tegen wie ze vochten, verschilt in wezen niet zoveel met degenen die tegenwoordig in Mali of Afghanistan in militaire dienst zijn of bijvoorbeeld ergens werkzaam bij de beveiliging van een multinationale onderneming als Philips of Shell.

Groepje Molukse soldaten

De dichtbevolkte eilanden als Sumatra en Java waar de Molukse manschappen doorgaans werden ingezet, waren voor hen even ver van hun bed, een andere wereld. (Jakarta ligt nu op vijf uur vliegen van Ambon verwijderd).

Als je verwacht dat de KNIL-soldaten – waar vandaan dan ook †– tijdens de Japanse bezetting en de opvolgende Bersiap-chaos ineens ‘mentaal gedekoloniseerd’ raakten - om in Matulessy’s termen te blijven - dan lijkt me dit zacht gezegd zeer onrealistisch.†

Zelfs hier in Nederland heeft het decennia geduurd voordat de voormalige slavenhandel of de koloniale oorlog Łberhaupt benoemd werden.

Dat de tegenstelling onderdrukkers - onderdrukten hier niet opgaat, moge ook blijken uit de toedracht toen het Koninklijk Leger (niet langer KNIL) in 1950 vertrok. De Molukse soldaten – evenals die van andere, afgelegen eilanden – kregen het aanbod om in het Indonesische Leger op te gaan. Een groot aantal koos hier voor. Een minstens zo groot aantal wilde echter terug naar huis.

Maar op Ambon was inmiddels de Republik Maluku Selatan uitgeroepen. De mare gaat dat Soekarno niet wilde dat 4000 goedgetrainde soldaten aan de kant van de RMS zouden meevechten – een vrij logische gedachte.†

Vier Molukse soldaten


Zijn minister van defensie gaf echter officieel te kennen dat ze vrij waren om naar huis te varen. Niemand waagde het er op. Zelfs de Nederlandse legertop had een sterk vermoeden dat die boten nooit op Ambon zouden aankomen.

De oer-conservatieve stichting ‘Door de Eeuwen Trouw’ – waarvan de meeste leden allerlei belangen in IndonesiŽ hadden verloren – spande een geding aan tegen de Nederlandse staat. De rechter oordeelde dat de Molukse soldaten tijdelijk naar Nederland verscheept dienden te worden. Op de boot of bij aankomst werd geheel onverwachts hen ontslag aangezegd. Hadden zij dit van tevoren geweten, dan waren ze stellig niet aan boord gegaan.

Het verdere verloop in Nederland moge bekend zijn.


Winterjassen


Tekenend dat het militaire bestaan als eervol beroep werd beschouwd, is wellicht dat een van de voornaamste en blijvende verwijten die de Molukse soldaten aan de Nederlandse regering maakten het niet-uitbetalen van hun soldij tijdens de oorlogsjaren betrof. (Pijnlijker nog: aan de overige Knil-militairen werd het soldij wŤl uitbetaald.)

‘Onderdrukten’? Met andere woorden: ‘slachtofferschap als verdienmodel’? Het zal van persoon tot persoon verschillen, maar gezien het respons van de tweede generatie in het verleden heb ik niet de indruk dat zelfbeklag wijd verspreid is onder het militaire nageslacht.†

‘Onderdrukkers’? Matulessy lijkt nog slechts een paar stappen weg, vatte mijn broer het samen, van het neerzetten van onze ouders als NSB’ers. Tot in m’n diepste vezels voel en weet ik hoe faliekant fout hij zit met dit tendentieuze ‘narratief’.


Het gaat me met deze reactie om te voorkomen dat het blazoen van onze eerste generatie met allerlei onterechte en bedenkelijke associaties wordt besmeurd. Voor je het weet, gaan die een eigen leven lijden.

Hadden de Molukse militaire jongemannen van toen Geronimo’s stuk kunnen lezen, dan zou hun reactie stellig zijn: ‘Njong, pompa!' (Honderd keer op en neer hurken met de handen aan de oren en een schep sambal in de mond!)


Grote groep Molukse soldaten


Fotofilm†Maluku†‘84

Terug naar†Inhoud Maluku†‘84

Blog Index

Home



Maluku ’84-1: Inhoud

Inhoud Maluku ’84

7 artikelen


Tjengkeh

Drie maanden reisden we in 1984 de Molukse eilandengroepen af. Van Ternate tot †Tanimbar. Voor het maandblad Tjengkeh interviewde Ais vele repatrianten.†

Na tien, vijftien jaar op militair bevel in Nederland waren zij op eigen initiatief teruggekeerd naar hun geboorteplek.†

Hun ervaringen werden indertijd grif gelezen, mede omdat velen van de eerste generatie deze mogelijkheid openhielden – al dan niet voor na hun pensioen.†


Map Indonesia

Het reisdoel bracht ons tot in de verste uithoeken van de Molukken.†Zie een video van de foto’s†die we onderweg namen. Tezamen geven ze een aardige indruk van het leven op de diverse eilanden toentertijd.

Map Maluku

Behalve de interviews leverde de lange reis nog enkele andere, kenschetsende impressies op.†

Zie hieronder.†Elk artikel heeft vanwege de vele foto’s een eigen link.


Fotofilm†Maluku†‘84



1. Banda

Banda begin

Rond een vulkaan steekt onverwachts een groepje eilanden de kop boven de immens diepe Banda Zee. Naar alle windrichtingen is er niets anders te zien dan leeg wateroppervlak. Op vele wereldkaarten staan ze niet eens vermeld. Hooguit als een paar zwarte stipjes in een diepblauwe kleur. De eindeloos uitgestrekte leegheid van de insluitende zee maakt Banda gevoelsmatig nog kleiner en kwetsbaarder.†

- Is dit het…? Begon hier in 1599 de kolonialisatie…?!

Tegelijkertijd: wat een ontzagwekkende natuur in deze vergeten uithoek der wereldzeeŽn.

Banda


2. Ontruiming van een eeuwenoud kerkhof

AMBON BELAKANG SOYA (2) kopie 2

Een half ontblote delver stuit op een kist die nog redelijk in takt is. Theatraal spuit hij bij eerst uitbundig met gif — wellicht omdat er is een nieuwsgierige politieman bij is komen staan.

Voorzichtig ligt hij de deels verrotte deksel op. De familieleden vallen stil, hellen nieuwsgierig met z’n allen naar voorover — en dreigen het gapend gat in te glijden. De opgraver slaakt een kreet.

Alles wat er in en rond de kist ligt, gooit de delver over de rand: leeggelopen parfumflesjes, plastic rozen, een schedel zonder onderkaak, vinger-botjes in niet vergane handschoenen, de onderkaak, een handtas, een paar ribben. Als het daglicht op een gehavende gele jurk valt, slaken de tantes een zucht.†

Belakang Soya


3. Een toevallige ontmoeting

Ontmoeting kopie

‘Niemand droomt hier meer over de RMS.’

Vanaf het kruispunt in de kampong vecht hij de verveling aan. De man is ver in de zeventig schat ik, maar duidelijk te levenslustig om zich over te geven aan de beperkingen van de oude dag.†

Zonder echt nieuwsgierig te zijn, kijkt hij toe wie er zoal het dorp verlaten en binnenkomen. Op zoek naar een verzetje –- en dat worden wij als we hem naar een familieadres vragen.

Ontmoeting


4. Een beetje moesson (Haruku)

HARUKU (3) kopie 2

De omstanders kijken nieuwsgierig of we toehappen. Er is een goede kans dat er later een boot uit het volgende dorp voorbijkomt.†

Maar is dat zeker en is er dan ook nog plaats?

- Ach, straks komt er wel een boot uit Aboru voorbij, zeg ik schouderophalend.†

Alle hoofden draaien de kant van de bootman op.

‘Misschien ook niet,’ zegt hij en haalt zijn schouders op.

Alle hoofden draaien weer mijn kant uit.


Moesson




5. De Dukun van den Heer

Ambon, Latuhalat

Eens per week komt er bijzonder bezoek in het huis op Ambon waar ik te gast ben. Twee allerhartelijkste oudjes, gestoken in zondagse kleren. Op zich niets bijzonders, ware het niet dat iedereen in huis zo nadrukkelijk zwijgt over het doel van hun komst. Die twee komen niet zomaar op de thee.

Na een tijdje wil tante aan het stel ‘even iets laten zien’. De slaapkamerdeur gaat hoorbaar op slot. Het bordje ‘niet storen’ hoeft niet aan de deurkruk, de boodschap staat op ieders gezicht uitgespeld. Terloops gestelde vragen worden even terloops omzeild.Om bloednieuwsgierig van te worden.†

Dukun


6. Een kratje kayuputih (eucaliptus-olie, Buru).

KEI EILANDEN luidspreker

Dwars door Namlea, achterop bij een man in groen uniform met hier een daar een gekleurd streepje – ik verberg m’n gezicht in schaamte. Op de binnenplaats van de kazerne blijft hij staan wachten. Binnen, op het kantoor, vraagt een ieder die m’n paspoort†bekijkt en bestempelt of ik John Loupatty ken?

Ja, het paard staat buiten.


Minyak kayuputih



7. s Lands wijs, ’s lands eten

Menukaart

Andere visgerechten als kikkerpoten, leguaan en schildpad gaan in gesprek over tafel, m’n nasi verliest geleidelijk z’n bekoring. Al helemaal als een Chinese koopman – aan een volgend tafeltje – zich in het gesprek mengt en begint over het bereiden van hond.

Als zovele kooplieden reist hij de eilanden af om inferieure partijen specerij op te kopen voor industriŽle verwerking. Mettertijd is de man kennelijk expert in plaatselijke schotels geworden – en dan met name in bizarre gerechten die m’n maag dreigen om te keren.

‘s lands wijs


groep jongens 2


Klik hier voor de video van de foto’s die we onderweg maakten



Maluku ’84-2 Fotofilm van de Molukse eilandengroepen

Ambon

Drie maanden reisden we in†1984†langs de Molukse eilandengroepen. Van Ternate tot †Tanimbar.†

Voor het maandblad Tjengkeh interviewde Ais vele repatrianten.†Na tien, vijftien jaar op militair bevel in Nederland te zijn gebleven, waren zij op eigen initiatief naar hun geboorteplek†teruggekeerd.

Hun ervaringen werden indertijd grif gelezen, mede omdat velen van de eerste generatie deze mogelijkheid openhielden – al dan niet voor na hun pensioen.†

Bijna veertig jaar later geven de foto’s tesamen een bijkans ontroerend Ťn informatief beeld van de Molukken.


kaart + ambon haven


Fotofilm†Maluku†‘84


Terug naar inhoud Maluku†‘84

Home

Maluku ’84-9: ’s Lands wijs, ’s lands eten


Eten visjes


In een eethuisje in Banda Neira hebben we het met de kokkin over ‘zeelarven’, het vreemde verschijnsel rond enkele Molukse eilanden waar biologen nog niet helemaal uit zijn. Eens per jaar, zo rond volle maan in april, wordt de Banda Zee inťťns wit en melkachtig. Miljarden larven maken het zeewater ondoorzichtig. Na een paar uur neemt het plotseling af en wordt het water weer even helder als voorheen.

Degenen die het merken, rennen de – soms nog slapende – kampong binnen: ‘Lout! Lout! Lout!’ Althans op Ambon, op Banda roepen ze:’Uli! Uli! Uli!’


Prompt rent iedereen met bakken, emmers, pannen en waar-maar-wat-in-kan naar het strand. Als je het goed aanpakt en geluk hebt, kun je er later enkele kilo’s uitfilteren.†

Menukaart

Maar het hapt snel weg. De larven kunnen niet worden bewaard of ingemaakt, je moet daar en dan zijn wil je het ooit proeven.†

‘Vooral als je het met santen (kokos) aanmaakt, is het erg lekker.’. Ze zet de bestelde nasi goreng voor en komt er even bij zitten.†


man met leguaan





Andere visgerechten als kikkerpoten, leguaan en schildpad gaan in gesprek over tafel, de nasi verliest geleidelijk z’n bekoring. Al helemaal als een Chinese koopman – aan een volgende tafeltje – zich in het gesprek mengt en begint over het bereiden van hond.

Als zovele kooplieden reist hij de eilanden af om inferieure partijen specerij op te kopen voor industriŽle verwerking. Mettertijd is de man kennelijk expert in plaatselijke schotels geworden – en dan met name in bizarre gerechten die m’n maag dreigen om te keren.

‘Ik hou er niet van als ze de hond hebben laten leegbloeden,’ zegt hij. ‘Hond moet je wurgen, anders gaat het vlees stinken.’

Ik schuif instinctief wat naar achteren maar de kokkin leunt juist instemmend naar voren.

‘Dan druk je een ijzeren staaf van voren naar achteren,’ legt hij haar uit, ‘stroop je het vel en laat ‘m mooi roosteren. Dan wil ik het wel eten, ja.’


Menukaart


Ik opper dat men misschien hond eet omdat er ander vlees voor hen niet te betalen is, maar de vrouw komt meteen in verweer: ‘Het is een lekkernij! Ik verkoop het niet, maar een klein schoteltje kost in andere eethuizen al gauw vijftienhonderd roepia’s!’ Omgerekend: vier en halve gulden - en dat is hier veel geld. Als ik medelijden toon met de hond uit zijn recept, roept de Chinese koopman enigszins geÔrriteerd: ‘Kashian?! Schildpadden, dŪe lijden pas. Die worden levend uit hun schild gesneden.’

Vis verkopers

De vrouw en de klant werken samen het vismenu verder af. D’r is heel veel meer variatie had ik op de pasar al gezien. Veel ervan voor het eerst in m’n leven.†

Grote vette vissen noemde ik in gedachten allemaal maar cakalang (tonijn). Maar juist de kleinere vissen kenden een nog veel vreemdere diversiteit. Die ochtend nog zag ik een soort mini-zwaardvisjes, alsof het satť-stokje er reeds doorheen liep.

De vrouw en haar Chinese klant zijn het erover eens dat het eeuwenoude tjolo-tjolo (een zoetzuur visgerecht) van Ternate nog altijd tot het beste van de Molukse keuken behoort.†

Ik wil vragen of de dolfijn ook wordt gegeten, maar ik ken de Indonesische naam niet. Misschien hoef ik het ook niet te weten, nu ik deze wonderschone zwemmers onder-naast-voor-en-achter de boot zag meezwemmen.†

‘Ah, je bedoelt ikan babi,’ begrijpt de vrouw ineens. Een nogal beledigende naam, vind ik, ook al hebben de dikke, gladde slanken van de dolfijn met wat fantasie wel iets weg van een varken.

BANDA kopie 3

‘Lumba-lumba noemen de Javanen hem,’ zegt de koopman, wat letterlijk vertaald spring-spring betekent. ‘Nee, ikan babi is veel te bitter,’ weet hij toch maar te melden.

De vrouw van het restaurant vraagt welke eilanden ik nog wil aandoen. Als ik haar m’n reisplannen vertel, zegt ze: ‘Als je van Tanimbar naar Ambon terugkomt, mÚet je pinda’s meebrengen. Die koop je daar bij Toko Kita. Ze verpakken ze in groene flessen. Dat zijn de beste in heel de Molukken.’

Keuken

‘Ach, goede pinda’s kun je tegenwoordig overal wel krijgen,’ meent de Chinese man, ‘maar zonder bagia (soort koekjes) kun je op Ambon niet terugkomen.’

De aanbevelingen stapelen zich snel op, elk eiland kent wel een geheel eigen en ‘beroemde’ specialiteit.

Dan zegt hij ineens: ‘Maar voor Ťcht bijzondere gerechten moet je naar Java of Sumatra.’


‘Zoals wat?’ dringt de vrouw aan.†

‘Apenhersens.’

M’n nasi goreng hou ik voor gezien.

‘Je kunt het zelfs in Jakarta nog wel krijgen. Het is illegaal, maar in de wijk Lokasari (China town) heb je van die kleine eethuisjes waar je het beest zelf kunt aanwijzen.’

Ik huiver maar kan toch niet nalaten te vragen hoe dat dan in z’n werk gaat daar.

‘Nog steeds zoals vroeger,’ zegt de Chinese man schouderophalend. ‘De ober haalt het beest uit z’n kooi, zet het hoofd vast aan de onderkant van een speciale tafel met een klein gat erin. Alleen de schedel steekt er bovenuit. Die scheert hij eerst kaal. Daarna draait hij de klemmen verder aan totdat de schedelnaden beginnen te barsten. De klant kan aanschuiven en lepelen.’

— Wordt het dier niet eerst gedood?!

‘Het gaat er juist om dat het hart nog klopt, anders heeft het z’n speciale krachten niet meer.’

Hij somt een serie klachten op waartegen apenhersens aan te bevelen zouden zijn, maar ik hoef er niet meer over horen.

’Waar smaakt het naar?’ wil de vrouw van het restaurant weten.

‘O, niet eens zo apart, wel lekker, een soort rijstepap. Erg goed voor je nieren.’


eten winkel 2


Het is dat ze op Ambon zeggen dat een Chinees niet liegt zolang het niet over z’n handel gaat. Dus ik blijf nog even zitten. Ik wil namelijk wel meer weten over de Molukse gerechten die hij op de verschillende eilanden voorgeschoteld kreeg. In het hotel Dusun Wisata leerde ik al dat de Molukken veel meer†specialiteiten†kent dan ik dacht.†

Maar de Chinees heeft de smaak te pakken en draaft door over andere macabere recepten. Nogal voorspelbaar eindigt dit gesprek over wat mensen allemaal eten met het eten van mensen.†

‘M’n vader beweerde altijd dat het lekkerste aan de mens z’n handen zijn. Net als bij apen.’

Ik schuif m’n stoel naar achteren en sta op. ‘Doe niet zo kinderachtig,’ zegt hij met een spottende lach, ‘nog niet zo lang geleden aten jullie Molukkers ook nog de vreemdste zaken. Vooral op Ceram.’

‘Kan wel zijn,’ zeg ik tevergeefs op zoek naar een snedig antwoord, ‘maar jullie Chinezen eten nog steeds alles dat maar beweegt.’

‘Ja,’ lacht de vrouw, ‘behalve Chinezen!’


winkel aan straat eten



Fotofilm†Maluku†‘84

Terug naar Inhoud Maluku†‘84

Blog Index

Home







Maluku ’84 -8: Een kratje kayuputih

Ambon haven Christina


De boot naar Buru.†Niet alleen is onzeker wanneer hij zal vertrekken, maar ook kan niemand me vertellen waar vandaan.

‘Probeer het eens bij die meubelmaker, midden Jalan Patty.’

- Waarom zou hij het wŤl weten?

‘Och, hij weet nog al ‘ns wat.’


Ambon stad boven 2


Ambon straat markt kopie 2


Ambon straat groep kopie




Ambon pasar


Ambon stad van boven kopie

De luiken zijn nog toe, de winkel is donker en tamelijk leeg. Er staan slechts enkele bakbeesten van meubels in westerse vijftiger-jaren stijl. Ze zitten bijna vacuŁm verpakt in transparant-plastic hoezen tegen het vele stof langs Ambon’s hoofdstraat.†


Zo te zien gaan de zaken slecht - of te goed - want de eigenaar doet geen moeite de boel aan te vegen. In de glazen toonbank liggen ansichtkaarten van diverse Molukse eilanden uitgestald. Beetje vreemd, want die plaatjes kom je - gelijk toeristen - hier zelden tegen.†

Terwijl ik me afvraag hoe ‘volluk!’ in Bahasa Ambon zou kunnen luiden, begint er achterin de zaak een peertje te gloeien. Een oude, magere man steekt z’n hoofd door een deurgordijn.†

Met overduidelijke tegenzin begint hij aan de afstand naar de toonbank. Om hem te verzekeren dat hij niet voor niets he-le-maal naar voren komt, wijs ik met geld in de hand naar de verschoten ansichten. Hij legt er ‘n paar voor me op de toonbank.

- Kent u misschien iemand die weet wanneer de boot naar Buru vertrekt? vraag ik. De fletse vierkleuren afdrukjes met grote witte kartelrand lijken ooit met ecoline ingekleurd.

‘Overmorgen. Dezelfde avond vertrekt ie weer.’

- Oh. Vanuit Telehu?

‘Nee, gewoon vanaf daarginds.’ Een traag armgebaar duidt de richting. ‘Een beetje rechts vanaf de pasar.’

Hij weet meer dan ik dacht, mogelijk gaat hij er af en toe heen.

- Zijn er nu hoge golven die kant uit?

‘Op bijna elke route vergaat er tegenwoordig wel ’ns een boot.’ Z’n hand glijdt langs de stoppelige plooien van z’n kin. ‘Sinds ze verzekerd moeten zijn, weet niemand of dat te maken heeft met het slechte weer.’

- Hm. Hoeveel krijgt u voor deze drie kaarten?

‘Naar Buru is er zes weken geleden nog eentje vergaan.’

- Vijfenzeventig?

‘Daar gaan zoveel geruchten over. Slechts enkelen overleefden het.’

- Honderd?

‘Het is nog steeds een politiezaak. Honderdvijftig.’


Meenemen verpakking

Bij terugkeer van Ternate enkele weken eerder riep tante Lieke: ‘Wat?! Je hebt geen bagia (hard koekje) meegebracht…?!’†

Bij terugkeer uit Tanimbar klonk het: ‘Wat?! Geen botol-botol kacang…?!’†

Als ik nu dan maar van tevÚren vraag wat ik van Buru moet meebrengen, kijkt ze me aan met een blik die zegt: ook al kom je van Holland, hoe kýn je dŗt nou niet weten?

‘Minyak kayuputih, natuurlijk! En veel! Want ik ken niemand die ooit naar Buru gaat!’†

Het komt er op neer dat ik straks met flessen vol brandbare, welriekende etherische eucalyptus-olie moet zeulen.†Wat ik ook tegensputter, ik kom er niet onderuit.†


Buru map


Eucalyptus

Buiten het eiland Buru is het moeilijk te krijgen, dat wil zeggen pure olie.†Elke handelaar verdunt het niet alleen maar ook volgens eigen recept en god-weet waarmee.†

In de ergste gevallen met benzine om het vluchtige karakter van de vloeistof te behouden. De reuk van eucalyptus overheerst toch wel.†

Ook tante weet nog een een grootmoeders recept met palmolie en kruiden. Tenslotte wil ze het mengsel laten zegenen door een roemruchte dukun die zelfs ik ken.†

‘Een beter medicijn tegen pijntjes bestaat er niet, nyong.’

Bijtijds sta ik aan de kade, de juiste kade. Matrozen verhuren soms hun stee aan passagiers die niet op de gang of aan dek heen en weer willen rollen. Voor een slordige zesenhalfduizend krijg ik z’n sinaasappelkistje. Om m’n camera’s te sparen, hou ik mezelf voor.†


Boot

Uit de luidsprekers aan de mast twettert tenenkrommende muzakmuziek. De christenen mogen graag klagen over het reli-geknetter uit de moskeeŽn, maar dit evenzo overgemoduleerde westerse lawaai schijnt bij de moderne levensstijl te horen. Ambon manisť gaat kennelijk goed samen met deuntjes als ‘Puppy Love’ of nota bene ‘Island in the Sun’.

De reis telt stellig risico’s: de passagiers storten zich bijkans in afscheidsdrama’s. Twintig uitzwaaiers per reiziger, schat ik -– eigenlijk wel een redelijk gemiddelde voor Moluks doen.

De matroos komt alvast z’n geld halen voor het verhuur van zijn slaapplek. Hij wil nog vlug wat inkopen. Waar zonder hij niet kan thuiskomen op Buru? Een fles Johnny Walker en een fles Three White horses. Zelf lijkt hij me niet zo’n dure drinker.

‘Sidebissniss,’ lacht hij.


Ambon baai


Aan boord meer vracht dan mensen. De schipper maximaliseert z’n winst met luide aanwijzingen: hier moeten er nog twee kisten tussen want dan kunnen er daar nog tien balen bovenop. De vrouwen verdwijnen eensgezind naar het benedendek. Wordt dat van hun verwacht of weten ze beter?†


Haruku boot strand jongens

Eenmaal buiten de Ambon-baai rijzen de golven en komt onze boot me steeds kleiner voor.†

Onder de stapelwolken verderop liggen de eilanden Ceram en Saparua, wijst een passagier me vriendelijk aan.

†Ik zie vooral de half verzonken bootwrakken her en der langs de standen. Verontrustend rustiek.



Boeroe kaart

Boven een spoor van zeeschuim, opgeslagen door de schroef van ons schip, klappert de vlag onheilspellend hard. Beter niet zoveel omkijken.†

Iedereen lijkt overigens vol vertrouwen aan de reis te beginnen.†

Of hebben ze een heel andere levensvisie?


De motor in het midden van het schip stampt oorverdovend en puft een vettige walm uit. Langs de stranden staat soms een dorper vriendelijk te zwaaien. Omdat ze niets anders in de kampong te doen hebben of weten ze wat ons te wachten staat…?

‘Ikan babi!’ roept iemand. Het duurt even voordat ik zie waar hij naar wijst. Wat een belediging toch om de sierlijk voor-achter-naast zwemmende dolfijn letterlijk vertaald een varkensvis te noemen.


HARUKU


De vrouwen wisten beter: het begint te hozen. Iedereen vlucht onder dek. Ook in de stuurcabine staan ze opeengepakt. Ik maak deze once in a lifetime-reis niet om binnen opgesloten te zitten en schuil achter een partij hoog opgestapelde bananen. Zonder enige omhaal maakt een oudere man me bij voorbaat duidelijk dat ik het niet moet wagen zijn handel onder m’n zitvlak te pletten.†

Mogelijk is dit zijn hele kapitaal. Het moet haast wel want hij houdt me ondanks de striemende regen in de gaten. Van lieverlee begin ik de bananen zelf mee te bewaken. Als ze onder de touwen dreigen weg te glijden, wijs ik hem erop.†

Heilig boontje.


boot strand


Aan de horizon trekken de eilanden voorbij. De vaart kent wel meer vreemde uitdrukkingen, bedenk ik me uit verveling. Het uitzicht verdwijnt doordat de zon wegzakt.†

Afijn, tijd om m’n sinaasappelkistje op te zoeken en aan ergere zaken dan schipbreuk te denken.†

Bijvoorbeeld aan de conversaties met tantes.

Gouverneur

‘Wanneer ga je naar Tuhaha?’

- Ach, ik ben er tijdens het vorige bezoek lange tijd geweest. Ik weet niet of ik weer zal gaan.

‘O jee.’ Ze zwijgt even nadrukkelijk. ‘Ja, zelf ben ik niet zo bijgelovig, hoor.’

Stilte.†


Op bezoek

‘Vader en moeder M. zaten ook te dubben of ze wel of niet hun geboortegrond op Ceram zouden bezoeken. Ze zijn uiteindelijk niet gegaan. Vanwege de moesson, zeiden ze.’

Stilte.

‘Tijdens hun terugvlucht kreeg vader M. een hartaanval. In Jakarta is hij van boord gehaald. En uiteindelijk overleden.’

Stilte. Maar ik voel†‘m aankomen:

‘Als je eenmaal hebt gezegd dat je naar huis gaat…’

- Ik hŤb het woord pulang niet gebruikt!

‘Ah, nyong, we spreken er nu eenmaal over…’†

Booy 2

Ze schudt met haar schouders, alsof er een koude hand op rust.

- Stel dat ik ga en de boot vergaat, de stroming is daar nu heel hevig…

‘Maar dat twijfelen is net zo gevaarlijk…’

- O, dus hoe dan ook: ik ben verdoemd!

‘Ah, nyong, wees niet zo boos… en praat niet zo…’

Grrrr…



PELNI jongeren


Moeizaam haalt het schip de ochtend, iedereen zat de hele nacht stilletjes bang te wezen. Maar dan ebben de zware golfslagen weg en komt Namlea in zicht.†

Prompt beginnen de passagiers zich te roeren, de beklemmende berusting is verbroken, ze willen van het schip af.†

Namlea is niet groter dan Tual of Ternate Kota, maar het is er opvallend rustiger. De straten lopen parallel aan de hoofdstraat – om de smalle promenade langs de zee maar zo te benoemen.†

De zoektocht naar een geschikt hotelletje blijkt niet moeilijk: er zijn er slechts twee. Het ene lijkt me meer een doorgangsbarak voor handelsreizigers. Het andere staat in de Jalan Anggrek, een straat die best wat orchideeŽn ter versiering zou kunnen gebruiken.

Het hotel bestaat uit twee tegenover elkaar liggende galerijtjes met kamers. En evenzo tegengestelde prijzen: er is een goedkope en een luxe kant. Daar tussen ligt een betonnen vijver die volgens de eigenaar de Baai van Kajelie voorstelt.†

Ongevraagd legt hij me nadrukkelijk uit dat ik me niet alleen bij de politie dien te melden maar ook bij de Kodim. En dat er nog een Loupatty in de stad woont. Het lijkt me allemaal even onbegrijpelijk als z’n betonnen kweekvijver voor muggen en ander ongedierte.

- Wees gerust, boss, ik zal vanmiddag nog het bezoekje bij de politie afleggen.†

Wel of niet de spelregels naleven, je weet nooit wat (bij vertrek) beter zal uitpakken. Ongetwijfeld is hij als hotelhouder verplicht dagelijks een bezoekerslijst te overleggen.


BURU (1)


Op het politiebureau is alles snel geregeld.†

- Moet ik me nog bij de Kodim melden? vraag ik quasi achteloos.

‘Het is voor toeristen niet langer verplicht,’ zegt de ambtenaar.

Dus niet.

Ik besluit echter wel de camat op te zoeken. Die jongens zitten meestal op een kluitje in moderne bungalowpretparken voor alles wat overheid heet - wel zo makkelijk… toch?

Ik mag er aansluiten bij het rijtje wachtenden op zitjes langs de buitenmuur. Is de Hoge Piet klaar met het bezoek dan gaat er een welluidende bel en wijst z’n – door iedereen gespekte – secretaris aan wie het heiligdom mag betreden.†


Militair politie brug kopie

Juist op het moment dat ik eindelijk aan de beurt ben, tikt een militair op m’n schouder: ‘Loupatty?’

- Ja?

‘Loupatty,’ stelt hij zich voor. Verre familie, zeker door de hotellier ingeseind.†

Maar wel op een zeer ongelegen moment.†


Hij vraagt of ik me al bij de Kodim heb gemeld?†

Nee, dat hoeft niet.†

Sorry, maar dat moet wŤl.†

Nietes.†

Welles.

Doei. Ik stap bij de camat binnen. Oom volgt, streng kijkend.†

Wat bezielt de mensen hier toch? Angst?


KEI EILANDEN luidspreker kopie


Als concentratiekamp voor ‘communistische elementen’–† dwz alle politieke tegenstanders van het Suharto-regiem – maakt Buru nog steeds op verschrikkelijke wijze geschiedenis. Maar daar kan ik hier ter plekke beter niet naar vragen.†

Dik en pafferig zit een Javaanse man achter z’n bureau de bestuurder te wezen. Het staat in geen verhouding, maar het spelen met een sigarettenpijpje tussen z’n lange nagels irriteert me momenteel nog het meest. Macht in een slechte komische sketch… grrr.

Weet hij geen antwoord op mijn vraag, dan drukt hij op een witte knop in een zwart vierkantje, zo ongeveer het enige voorwerp op z’n bureau. De ene na de andere klerk moet opdraven om antwoord te geven – en verteller is er geen.


sagu


Boom man

- Is het eiland Buru erg afhankelijk van houtkap en -uitvoer naar Japan en Zuid-Korea?

Dringgg.

‘Ja.’

Weg.


- Vormt kajuputih nog steeds een belangrijke bron van inkomsten?

†Dringgg.

‘Ja.’

Weg.



Toch leer ik tegelijkertijd welke tochten ik wil maken. Met een boot de brede rivier op naar het gebied met al dan niet gedwongen transmigranten. Naar een grote kajuputih -plantage waar een bapa raja woont die veel van de geschiedenis van Buru weet.

‘Wij, de jongere generatie, wat weten we daarvan?’ lacht de camat-man zich vrij.

Intussen staat m’n verre familielid nog altijd te popelen om me achterop z’n brommertje mee te namen naar de Kodim –– omdat hijzelf daartoe behoort, besef ik nu pas.†

Dwars door Namlea, achterop bij een man in groen uniform met hier een daar een gekleurd streepje –- ik verberg m’n gezicht in schaamte. Op de binnenplaats van de kazerne blijft hij staan wachten. Binnen, op het kantoor, vraagt een ieder die m’n paspoort bekijkt en bestempelt of ik John Loupatty ken?

Ja, het paard staat buiten.


ambtenaren


Op een geheimzinnige afdeling die ‘Intertel’ heet, zegt een Boeginese ambtenaar me doodleuk dat m’n papieren ‘onvoldoende' zijn.†

- Pardon?

‘De sociale vergunning ontbreekt.’ Hij werpt m’n paspoort achteloos op tafel.

- Niet meer nodig… pak.. voeg ik er beleefdheidshalve haastig aan toe. Bij militairen is het oppassen geblazen. Zij zijn de feitelijke staat, de rest is hun belang of tolerantie.†

- Een paar maanden geleden zijn de regels voor toeristen veranderd.

‘Niet bij ons. Nieuwe regels gelden nooit voor Buru.’

- Zelfs de politie in Namlea liet het aan mij over om…

‘De politie..’ schampert hij, ‘de politie weet wel vaker van niks.’

ambtenaar stapel papieren

Ik hou aan en uiteindelijk neemt hij het ‘om mij niet onwelwillend te zijn’ even op met de commandant.†

Dit duurt een klein uurtje. Belden ze even naar Ambon of zo? Dan verschijnt hij pratend met een collega en ik begrijp dat mijn paspoort in zijn hand slechts een alibi was om even rond te slenteren.

‘U moet terug naar Ambon,’ zegt hij achteloos.

- Wat?! Alleen doordat die oom van mij Loupatty heet en mij hierheen sleepte?

‘Maar je bent nu eenmaal hier,’ grijnst hij terug.

Onder geen beding krijg ik de commandant te spreken.†

M’n geacht familielid komt binnen. Om een goed woordje te doen, veronderstel ik.†

Hij komt terug met de mededeling dat ik nergens een foto mag nemen.†

Van je familie moet je het hebben.


Bootjes water


Achterop de brommer vloek ik hem stijf zonder een scheldwoord te gebruiken. Voor niets die boottocht ondergaan! Al die onkosten gemaakt! Al die verloren reistijd!†

Wat me maar te binnenschiet en bij hem schuldgevoel moge aanwakkeren. Om steeds hetzelfde lullige antwoord te krijgen: het was zijn plicht, anders was ik misschien gevangen gezet.†

Ik betwijfel of ik opgevallen zou zijn in dit godvergeten gat!†

Hooguit door m’n kleding misschien.

Hoe dan ook, ik moet met de eerstvolgende boot terug –– en oom zal daar op toe zien.†



BURU KAJAPUTI (1)

Om het een beetje goed te maken, rijdt hij naar een ‘speciaal adresje’ voor minyak kayuputih, een ‘vriendje’ van hem. De meeste stokers zijn volgens hem namelijk niet te vertrouwen.†

De vriend laat me de plantage zien. Geen majestueuze hoge bomen maar eentonige rijen dorre mini-boompjes. Op maat geteeld.†

Na de pluk moeten de bladeren eerst langdurig worden gekookt, legt hij uit. Het aftreksel wordt vervolgens gedestilleerd in grote ketels die zo te zien al enkele generaties meegaan. Het is een gevaarlijk want brandbaar proces.†

Oom heeft zo maar geen commentaar als ik enkele foto’s neem, maar loopt wel een eindje weg. Staat hij nu op de uitkijk of is hij bang om in z’n groene pakkie in beeld te komen?


BURU KAJAPUTI (2)


Nog steeds geÔrriteerd koop ik pardoes twintig flessen. Geen idee wat ik ermee aan moet en hoe ik ze kan meeslepen. De verkoper bindt ze echter ingenieus en vaardig met bamboe bij elkaar. Met een hard-papieren prop als dop.†

Pas als we met veel ongemak op de brommer terugrijden, realiseer ik me de hoeveelheid pas goed – een soort over-eten uit frustratie.


BURU KAJAPUTI


Terug bij het hotelletje beslist oom dat ik vanavond bij hem thuis eet. Als ik naar buiten wil, moet ik hem laten roepen. Tegensputteren helpt niet.†

Hij fluistert iets tegen de jongen van het hotel bij het weggaan. Daarop nestelt het joch zich in een stoel met vol zicht op mijn kamerdeur.†

Hm.

En toch zal ik enkele foto’s van Namlea nemen, potdomme. Al is het maar om de eer. De tas met apparatuur staat klaar bij de deur. Na zo’n drie kwartier stuift er een vriendje van hem binnen en lukt het me weg te glippen. ik heb nog een uur voordat de zon ondergaat.

Buiten realiseer ik me pas hoe je in dit landerige dorp met een camera meteen alle aandacht trekt. Die ophef wil ik oom niet aandoen - familie blijft familie – straks verliest hij z’n baan er nog door.†

Op handen en voeten klauter ik een nabije heuvel op om – verborgen in het groen – enkele malle stadskiekjes te schieten. Ze blijken later ook nog eens mislukt te zijn doordat de film niet juist geladen was.


Haven Politieboot


Dezelfde avond moet ik aan boord van het schip waarmee ik ’s ochtends aankwam. In dezelfde kajuit. Met een kratje kajuputih als sullig souvenir.

Uitzicht

Sullig? Daar blijken ze op Ambon heel anders over te denken. Tot in aangrenzende kampongs raakt bekend dat ik met misschien wel honderd flessen pure†minyak kayuputih ben teruggekeerd. En die maluku belanda weet niet half wat hij in handen heeft. Snel zijn, hoor, straks is het alweer door iemand verdund!

Erg happig om uit te delen of te verkopen is deze anak muda dongol derhalve niet. Maar wat moet ik ermee? Iedereen domweg weigeren bij de aanblik van zo’n voorraad, gaat niet. Vooral oudere vrouwen komen erom vragen, vanwege hun hoofdpijn, chronische verkoudheid, jarenlange reuma en wat al niet meer.†

Maar om het nu over te gieten in kleine flesjes, zoals tante voorstelt… ik word nog concurrent van de lokale dukun.…


Autoruit jezus


Fotofilm†Maluku†‘84

Terug naar†Inhoud Maluku†‘84

Blog Index

Home


























Maluku ’84 -7: De ontruiming van een eeuwenoud kerkhof

AMBON BELAKANG SOYA (2) kopie



Voordat in oktober ’84 de internationale kerkelijke bijeenkomst Sidang Raya op Ambon werd gehouden, kreeg de hoofdstad een grootscheepse opknapbeurt.

Een opmerkelijk onderdeel was de ontruiming van het oude Belakang Soya. Dit kerkhof aan de voet van de Karangpanjang heuvels moest plaats maken voor wegverbreding.

‘Met het overlijden van elk mens sluit een museum,’ luidt een gezegde. Met de opheffing van dit roemruchte kerkhof verdwenen ook de gedenkstenen van een bewogen tijdperk.


AMBON BELAKANG SOYA (1)

‘Sana di kanan.’

‘Aduh, hati, hati!’

De familieleden maken de half ontblote man in het open graf gek met hun aanwijzingen.

‘Cepat sedikit, nanti hujang.’

‘Itu, apa itu? Seng, disana? Hati-hati!’

Met een klein schepje wroet hij in de aarde. Op zoek naar half vergane beentjes en botjes van een baby, die hier slechts een paar jaar terug werd begraven. Het kistje is nagenoeg vergaan. Een schedeltje en enkele ribbetjes heeft hij opgeworpen. Voor de rest is het zoeken en graaien in de modder. Zoals bij de meeste graven die hij de afgelopen maanden heeft geopend.


Toch mag hij vandaag niet klagen, andere opgravers staan dankzij enkele fikse banjirs tot hun dijen in modderpoelen te baggeren. Vooral degenen die onderaan de heuvel werken, vlak langs de autoweg. Met hun blote handen doen ze willekeurige grepen in de blubber en laten het water tussen hun vingers door weglopen.†

Dan brengen ze de smurrie naar het daglicht om te zien of er wat tussen zit. De mannen, bijna allen Butonezen, verdienen er al maanden hun brood mee. En er ligt nog voldoende werk voor enkele maanden. De vraag is echter of er nabestaanden komen opdagen om de opdracht te geven en te betalen.


AMBON BELAKANG SOYA (1) kopie

De maanden voordat de Sidang Raya wordt gehouden, dient het stadsbeeld van Ambon te worden opgevijzeld. Niet alleen omdat er duizenden gasten uit binnen- en buitenland worden verwacht, maar vooral omdat president Suharto de bijeenkomst hoogstpersoonlijk zal openen.†

Enkele weken terug liet hij het echter afzeggen. Naar de reden laat zich niet moeilijk gissen. Het openen van een conferentie over ‘Yesus Kristus kehidupan dunia’ zou voor hem een mooie gelegenheid zijn geweest om aan te geven dat zijn bewind tegen de Islam als staatsgodsdienst is. En daarmee te voorkomen dat er meer politieke macht van het militaire regiem naar orthodox-islamitische groeperingen zou gaan.

Een paar opperbevelhebbers en ministers zullen de christelijke bijeenkomst in zijn plaats openen.†Er is al veel geld overgemaakt om het wegennet te verbeteren en de bevolking vooraf gunstig te stemmen. Omgekeerd is het inmiddels vanzelfsprekend om het staatshoofd vooraf en tijdens zijn bezoek zoveel mogelijk financiŽle steun af te dwingen. Jarenlang zeuren bracht weinig op, maar als hij komt, stuurt Jakarta van tevoren achterstallige ‘cadeautjes’.

Eind juli is overduidelijk dat Ambon het opknap-project niet op tijd afkrijgt. Ondanks dat het festival inmiddels al is verschoven van september naar oktober, de heetste maand. Enkele hevige banjirs hebben het werk soms in een oogwenk ongedaan gemaakt.

Hooggeplaatste technici worden uit Surabaya binnengevlogen om het wegenbouwproject sneller te voltooien met behulp van beter materiaal uit Java.†

Speciaal ontworpen voor de christelijke bijeenkomst moet vlakbij het stadion een speciale ontvangsthal komen te staan. De geslagen palen willen echter maar niet rechtop blijven staan. Dat de pilaar de vorm van een kruidnagel heeft, helpt niet echt.†

Hartje moesson probeert men de straten rond de pasar opnieuw te teren. Er verschijnen welkomstpoorten waarvan iedereen hoopt en bidt dat ze de regens zullen weerstaan.†

Enerzijds is men teleurgesteld dat Ambon het niet zelf voor elkaar krijgt en dat er Javanen aan te pas moeten komen. ‘De lokale regering is veel te laat met de aanpak begonnen’.†


Graf vliegtuig


Anderzijds vraagt men zich af wat het politieke spel zou kunnen zijn. Werd het geld te laat beschikbaar gesteld, werd ervan ontvreemd? Met zo weinig openheid van zaken blijft het gissen.

Eťn voordeeltje is echter dat de gouverneur Hasan Slamet ervoor verantwoordelijk is. Nog afgezien van de talloze geruchten die omtrent zijn privť-leven de ronde doen, heeft de man zich omstreden en uitgesproken impopulair gemaakt. Berucht is zijn rol in de omkoop-affaire omtrent herstel van het havendok. Maar het vaakst beschimpt men hem openlijk om het feit dat na zijn eerste termijn ontwikkelingsgeld overhield om terug te geven aan Jakarta.†


AMBON CHINESE BEGRAAFPLAATS

Kortom, een zeer geschikte zondebok voor alle mislukkingen. Elke Ambonees weet immers dat je projecten in de wegenbouw moet afstemmen op het seizoen. De aanleg van de weg Batu Merah richting Karangpanjang tijdens de regenmaanden juli en augustus oogt ook nog eens als een regelrechte ramp.†

De opengereten rode aarde levert een bloederige erosie op. Als je vanuit de heuvels de baai bekijkt, is de zee hierdoor langs de hoofdstad roodbruin van kleur door de fijnkorrelige oftewel de meest vruchtbare aarde.†

Meerdere huizen zijn ingestort. Juli ’84 vallen er zeven doden. Je kunt niet ongestraft de heuvels boven een woonwijk openrijten en maar hopen dat de regentijd dit jaar minder hevig zal zijn.†

Om de autoweg te verbreden, moet de begraafplaats worden opgedoekt. Ondanks de hoge grondprijzen is een lokatie met een deze voorgeschiedenis niet aan particulieren te verkopen. Op de overige grond zal een groot overheidsgebouw verrijzen.†

De termijn dat families de graven kunnen ontruimen is weliswaar verlengd, maar daarna gaan onverbiddelijk de bulldozers eroverheen en verdwijnen de achtergebleven restanten onder de betonnen bouw.


AMBON BELAKANG SOYA (2)


Augustus ’84 zijn ongeveer de helft van de graven geruimd. Het is een triest maar ook macaber gezicht. Vooral in de vroege ochtend of late namiddag. Alsof sommigen werden uitverkoren terwijl anderen verdoemd bleven liggen. Door al het gegraaf zijn de nog gesloten graven scheef gezakt. De heuvel is een chaotisch en gevaarlijk doolhof geworden, dat zomaar je eigen graf kan worden als je niet oppast.

Oom Hendriks is een gepensioneerd onderwijzer die er in de buurt woont. ‘Vroeger durfden we tegen het avonduur daar niet meer langs. Maar tegenwoordig nemen late feestgangers vaak de korte weg over de begraafplaats. Sommige stelletjes gaan er zelfs vrijen in het donker. Noem het bijgeloof, maar ik heb de indruk dat hier vroeger veel meer mysterieuze verschijnselen plaatsvonden.†


AMBON, SOYA

Misschien is die “duistere wereld” met de komst van elektra teruggedrongen. Ook in symbolische zin, hoor, het evangelie is dieper doorgedrongen. Dieper in de harten van de mensen. Evengoed zijn er geesten en is er een geestenwereld. Maar hoe dichter dit gebied bevolkt raakt, des te minder vaak wij ze† nog betrappen.’

Op een van de overdekte graven verkoopt een Butoneze vrouw zelfgebakken koekjes, frisdrank en andere etenswaren. Ze is de kantinejuffrouw van de grafdelvers, die rondom haar toko wat bijkomen.


Af en toe zie ik de gravers hun handen inspuiten met een insectenverdelger van Bayer Indonesia.†Voorschrift van de lokale overheid die het gif gratis levert.†De gedolven beenderen gaan in speciale plastic zakjes. Enkele politieagenten patrouilleren om toe te zien dat deze regels worden nageleefd.


AMBON BELAKANG SOYA (3)


Een delver stuit op een kist die nog redelijk intakt is. Theatraal spuit hij eerst uitbundig met gif — wellicht omdat er een nieuwsgierige politieman bij is komen te staan.

Voorzichtig ligt hij de verrotte deksel op. De familieleden vallen stil, hellen nieuwsgierig met z’n allen naar voorover — en dreigen het gapend gat in te glijden. De opgraver slaakt een kreet om de neerstortende aarde.

Tevoorschijn komt uiteindelijk een skelet dat er nog vrij ordentelijk bij ligt. De politieman verliest z’n interesse, het zoveelste skelet voor hem. Z’n pet zit alweer op z’n hoofd. Niet dat hij die uit eerbied had afgezet, maar om te voorkomen dat zijn status hem ontglippen zou.

‘Ziet er goed uit, in het graf daar verderop lag het hoofd in de handen,’ legt hij ongevraagd aan mij uit. ‘Door de aardbevingen.’


Gevonden voorwerpen


Alles wat er in en rond de kist ligt, gooit de delver over de rand: leeggelopen parfumflesjes, plastic rozen, een schedel zonder onderkaak, een handtas, vingerbotjes in een niet vergane handschoen, de onderkaak, een paar ribben. Als het daglicht op een gehavende gele jurk valt, slaken de tantes een zucht. Van herkenning?

Dan komen de beenderen van een ander en ouder geraamte naar boven. ‘Van oma,’ besluiten enkele oudere familieleden na onderling overleg. Niet over alles ging zand kennelijk, oma krijgt nauwelijks aandacht.†

Uit een verderop gelegen theehuis worden enkele ambtenaren opgetrommeld. Onder hun toeziend oog verdwijnen de losse beenderen en botjes in de speciale regeringszak en vervolgens in het meegebrachte kistje dat elders begraven zal worden.†

Het lijkt bijna een kinderkistje en is van buiten met zwart katoen bekleed.† Op het deksel zijn – met behulp van wit garen en goudkleurige punaises – ruitvormige figuren gespannen. Binnen het kistje ligt een hagelwit bedje gespreid. Het gebeente troont er als een prehistorische vondst van belang. Hoezo tot stof zult gij wederkeren…




Als de deksel is vastgetimmerd, vertrekken de familieleden in een gehuurde otobis. Op het kerkhof van hun kampong zal het kistje opnieuw worden begraven. Sommigen brengen zo te zien meer aarde dan overblijfselen over. Maar hun plicht jegens de voorouders is naar beste kunne vervuld — en dat kan een hoop narigheid in de toekomst voorkomen, volgens hen.

Vooral sterke persoonlijkheden die nog levendig in de herinnering staan, durft men niet zo makkelijk te laten liggen. Maar toch, zelfs voor het graf van de bekende dominee Joseph Kam kwam niemand opdagen. Vele geraamten, waaronder die van Javanen en Hollanders, zullen verdwijnen onder de nieuwe stadsuitbreiding van asfalt en beton. Misschien zijn er geen nabestaanden meer, misschien hebben ze het geld er niet voor, misschien gunnen ze het iemand van harte onder het beton te liggen –– wie zal het zeggen.


AMBON BELAKANG SOYA (3a) kopie


‘Ik was juist erg blij dat ik oma moest verplaatsen,’ vertelt een oudere tante. ‘Oma was gestorven in de Nipon tijd. Ik kon er toen niet bij zijn. Dat heb ik altijd betreurd. Ik was haar veel verschuldigd, ze heeft mij grootgebracht. Weken ervoor zat ik al in spanning. Ik was bang dat we slechts een enkel botje zouden aantreffen. Of misschien helemaal niets, zoals in sommige andere graven.†

Ik verzocht de dominee om een dienst te houden. Voor het karwei zelf heb ik een oude Butonees aangesproken. Die mensen hebben een zesde zintuig voor dit soort zaken. Ik zette zelf de eerste schop in het familiegraf, dat is beter. Toen de oude Butonees het overnam, begon hij niet in de lengte maar in de breedte. Ik begreep het niet, maar hield me stil. En inderdaad: de bovenste kist lag overdwars.

Hij zei: ‘Ibu, deze is vrij kort.’ Ik wist meteen: dat moet haar zijn.†

‘Kijk naar het gebit,’ zei ik hem. Bij haar dood had ze immers al haar tanden nog, wist ik. Ze was een ijzeren vrouw. Regelde altijd alles zelf. Deelde aan anderen de lakens uit, als je haar liet begaan. Ze lag nog precies zo als ze begraven was. Een wonder voor een veertig jaar oud geraamte, toch? Ik stond met tranen in de ogen over haar schedel te aaien. Ja, lach maar, ik was zo gelukkig.


AMBON BELAKANG SOYA (2) kopie 2

Thuis heb ik de kist prachtig uitgestald. Heb de mooiste takjes uit m’n anggrek-verzameling erop gelegd toen de familie kwam.†

Na de dienst hebben we ze overgebracht naar de heuvel hierachter het huis. Daar had ik een jongeman al een betonnen graf laten aanleggen. Het moet mooi zijn en in oude stijl. Ga daar en daar maar kijken om te zien wat ik bedoel.

De betonnen bollen die er nu bovenop liggen, heeft hij gemaakt met een doorgesneden voetbal.

†Knap, hŤ? Het is prachtig geworden. Werkelijk een genie die jongen. En nog een achterneef ook.’





AMBON BELAKANG SOYA kopie


Fotofilm†Maluku†‘84

Terug naar†Inhoud Maluku†‘84

Blog Index

Home









Maluku ’84 -6: 'Een bťťtje moesson.' (Haruku)



Boot punt water


Vlak voor vertrek uit Nederland ontvingen we de pgOOM ‘Atlas Molukkers’ nog net op tijd om in de overvolle rugzak te stouwen. Elke Molukse eilandengroep staat er op een aparte pagina in klare lijn afgebeeld, met hier en daar een licht of donker rastertje om hoog- of laaggebergte aan te duiden. Langs de kantlijn staat de gebruikelijke schaalverdeling. Anders gezegd, niets wijst erop dat het hier slechts nonchalante schetsjes betreft…†

- Kijk, hoe makkelijk het moet zijn om het eiland Haruku rond te lopen. Dat moet in ťťn, voor de gezelligheid misschien twee dagen te doen zijn.


Telehu haven 2


De haven van Telehu op Ambon, een maand later.†

De moesson heeft een krakkemikkige steiger overgelaten. Met de bagage op het hoofd balanceren enkele honderden mensen over de resterende, schimmelgladde planken. Vele reizigers moeten over de ene boot klauteren om een andere te bereiken. Vooral voor de al wat oudere passagiers is het een hachelijke onderneming.†


Telehu haven 1


AMBON, TELEHU haven 2

Als ik er iets over opmerk, haalt men de schouders op, ombak keras: de golven zijn elke moesson opnieuw zo hoog en desastreus.

Niemand schijnt te verwachten dat de lokale overheid deze vitale havenplaats voor de verbinding met Ceram, Saparua en nog enkele eilanden na afloop van de moesson als den donder repareert.†

Misschien omdat het economisch belangrijke vrachtvervoer via de grote haven verloopt en hier ‘slechts’ passagiers aankomen of vertrekken.†

En ach, de Javaanse gouverneur Slamet heeft al zoveel aan z’n hoofd met de aanhoudende geruchtenstroom over z’n privť-zaken.


TULEHU AMBON (1)


‘DŠŠr!’ wijst een man naar een kanariegele polyester boot. ‘DŪe moet je charteren om op Haruku te komen.’ Kennelijk is er niet veel verkeer met dat eiland.†

Twee jongens hangen verveeld over de boeg van een prijzig speeltje – een soort cross-wagentje maar dan te water. Ze kijken erbij alsof ze niet geÔnteresseerd zijn in klandizie want eigenlijk zijn ze toe aan een leven in Jakarta –- zoiets.

Vanaf de kade, over het water, moeten we hun aandacht trekken en onderhandelen over de prijs. Gratis amusement voor alle omstanders, die graag willen horen voor hoeveel de twee buitenlanders de klos zullen zijn.

Haruku kaart

Hun prijs blijkt even modern als hun boot. Maar hoe meer tijd we verliezen, des onmogelijker het plan wordt om het eiland in een dag rond te trekken.†

De omstanders gniffelen over de uiteindelijk prijs die ‘hun jongens’ toch maar mooi weten te scoren.†

Wij houden ons maar voor dat we nu tenminste uitgebreid vanaf zee de tussenliggende eilanden kunnen bekijken en fotograferen.


Boomstronk branding


Als we eenmaal aan boord zijn, peddelen de jongens een stukje het water op. Met een trotse oor-tot-oor glimlach hangen ze twee giga buitenboordmotoren aan de achtersteven. Ah, vandaar de prijs, iemand moet toch opdraaien voor het nutteloze teveel aan pk’s.

Macho Bung zet zich achter het stuur en macho broertje hurkt neer tussen de twee motoren.

‘Klaar?’ schreeuwt Bung als een eigentijds mena-muria naar achteren en drukt op een van de vele knopjes van z’n digitale horloge.

‘Jůůůůůůů…!!!’


maluku BOOT (1)


Met een ruk vliegt de neus van de boot omhoog en sla ik achteruit tegen de bodem. Het duurt enkele minuten voordat het me lukt half overeind goed schrap te zetten. De vlakke onderkant van het vaartuig schiet over het water en beukt om de zoveel seconden met harde klappen tegen de golven. Enkele vissers in kole-kole bootjes peddelen zich snel, zo niet panisch uit de route. Dat ze niet protesteren. Wie weet wensen ze zichzelf zo’n boot.



‘Drie-vijftien!’ schreeuw Bung als we de uiterste landtong van Ambon passeren. Broertje grijnst terug. Nog steeds lukt het me niet voldoende overeind te komen om te protesteren. Huur žk verdomme die boot of niet?! Klap op klap dreunt door m’n hersenpan. M’n maat probeert z’n fotospullen terug in de rugzak te proppen en stoot daarbij verwoede kreten uit. Maar ook zijn stem gaat teloor in het jankende yamaha-geluid.†

We zitten kennelijk in een race tegen de klok. Met een licht verwijtende blik op het gewicht van onze rugzakken gooit Bung in een laatste poging het gas helemaal open.

Ik capituleer en ben zelfs blij dat de eindbestemming nabij komt. Voor de kerk van Haruku Kota eindigt de wedstrijd in een brede boog en vallen de motoren eindelijk terug. Tot m’n verbazing verandert Bung ineens in een alleraardigste jongeman die doodleuk vraagt of we even bij hem thuis wat komen drinken. Het is vlak om de hoek, dat wil zeggen: een stukje de grote rivier op.†


Boten kapot


In langzame vaart glijden we langs enkele kampongs. Bung vertelt dat hij maar zelden tot voor zijn deur kan varen. In andere maanden zwemt de jonge lompe-vis de brede rivier op. Op gegeven moment sluiten de dorpers dan de monding af om de lompe tot soms wel een meter lengte te kweken. Als de bapa raja maanden later als eerste z’n net heeft geworpen, haalt de kampong de buit binnen en kan het feest beginnen.


MALUKU


Volgens de†pgOOM†atlas moeten we door een klein bergtraject om de witte stranden van Oma te bereiken. Het blijkt een twee uur durende klimpartij te worden. In de bergen is windstil en benauwd.†

HARUKU (4)

Groots is echter de beloning af en toe: schitterende doorkijkjes over strand, zee en naar andere eilanden.†

Zoals naar Molana, het mysterieuze anker-eilandje onder Saparua. Ergens tussen de bossen moet daar een goed geheim gehouden zoetwaterbron zijn, beweert men.

Slechts drie families hebben adatrecht op het eiland en weten waar de bron zich bevindt. Bij tijd en wijle woont er een enkel gezin.†

Langs de kust valt echter geen enkel teken van leven te bespeuren. Rond de rotsen ligt prachtig hagelwit strand.

†Veerbootjes gaan er liever niet naar toe omdat het zand zich geregeld verplaatst.




MALUKU kopie


Bezweet lopen we van de bergen het dorp Oma binnen, recht op het lege strand af. Om vlug even uit te kleden en een duik te nemen. Maar voordat we de kleren uit hebben, zit en rent een honderdtal kinderen rond ons. Iets achteraf staan enkele moeders even nieuwsgierig toe te kijken.

- Heb jij iets aan waarin je kunt zwemmen?


Kinderen water


‘Nee, helaas niet,’ verzucht de blanke magneet van alle aandacht. ‘En ik ben niet van plan het komisch nummer van de dag te worden door van een t-shirt een jurkje proberen te maken of zo. D’r komen vast wel nog andere plekken. Volgens de kaart is het naar Wasu een mooie route langs het strand.’


Strand boom kinderen


Luidruchtig bijgestaan door een rits kinderen vinden we aan het andere eind van de hoofdstraat zo waar de uitgang van het dorp. Een grotere jongen voegt zich bij de stoet. Hij maakt enkele opmerkingen naar de kinderen, doet daarbij een monster na en wŤg rennen ze – zo eenvoudig is het dus.


Kinderen kust


Met een beminnelijke glimlach benoemt hij zich vervolgens tot onze gids. Op de kaart lijkt het een alsmaar doorgaande rechte weg, maar hij houdt aan dat we niet zonder zijn leiding kunnen.†

‘En dan ga ik meteen even op bezoek bij mijn oom.’

HARUKU (1) kopie


Met Daantje voorop lopen we het paradijslijk-witte strand op. Weldra gaat het zand echter over in gemeen koraalrif dat als scherven glas door onze slippers en schoenen snijdt. Even later komen er ook nog donkere wolkenpartijen aanstormen. Zoveel moesson, zullen we niet teruggaan?

Regen fietser

‘Moesson…?’ herhaalt Daantje met een air van deskundigheid. ‘Er komt misschien een beetje moesson aan, maar het is hooguit nog maar een uurtje verder.’

De route loopt afwisselend door bossen en over strand. Lang aan zien komen en toch nog onverwachts begint het hevig te regenen. Beter gezegd: het zwerk laat plots al het water van de hemelse dinsdag-wasdag vallen. We schuilen onder een overhellende rots en staren naar het dichte watergordijn. Wacht, gaan daar niet een paar mensen? Daantje roept wat naar hun.

‘Blijf daar niet zitten!’ schreeuwen ze dwingend terug, zonder de pas in te houden. ‘Zo meteen is het donker en vind je de weg niet meer.’†

De donkere gestalten gaan weer op in het grijs.†Had een van ons beweerd dat zij voorouderlijke boodschappers waren, niemand zou hem hebben tegengesproken. Zullen we niet meteen achter hen aan gaan?

Daantje blijkt echter de nuchterste en, no worry, de rest van de route is een makkie. Akelig precies vouwt hij z’n overhemd op en doet ‘m in mijn rugzak. Hij neem z’n slipper ter hand en stapt onder de rots vandaan.

‘Volg de profeet,’ schampert m’n maat en stapt de regen in.


Regen plu


Met de paraplu schuin naar achteren proberen we enige bescherming te bieden aan de rugzakken met camera’s, paspoorten en andere toeristenballast. Dat de regen langs het lichaam gutst, is inmiddels bijzaak.†

Al gauw ontdekken we waarom Daantje z’n slippers liever in de hand houdt. Elke stap zakt weg in de zuigende modder. Dan moet je je gewicht op het ene been zetten om het andere uit de modder terug te trekken –– en vervolgens graaien naar de achtergebleven schoen of slipper.

Kletsnat ploeteren in de prut was niet wat we voor ogen hadden. ‘WoŠaaaa,’ grapt m’n maat op orgastische toon en laat wat bruine brij tussen z’n vingers doorlopen. Hij imiteert een filmscŤne, vermoed ik. ‘Dus dit is de drek waar de wereld van gemaakt is, far out!’ Misschien uit Easy Rider of een andere vooroorlogse hippie clip.'

- Even niet, alsjeblief.


Regen plant vallei kopie

Tien minuten later verwisselen we alsnog spijkerbroek voor zwembroek en gaat het plakkende t-shirt van het lijf. Bijkans naakt maar mŤt paraplu – voor de de rugzakken die maar moeilijk droog te houden zijn.†

Steeds luider klinkt onze weeklacht en omgekeerd evenredig weet Daantje nog zekerder dat we er nu toch Ťcht bijna zijn. Alleen moeten we hier even oppassen voor waterkuilen en daar voorzichtig langs een bergrichel bewegen want die zou wel eens kunnen wegzakken.

Voor de verandering loopt het pad stijl tegen de berg op. Voorgaande waag-halzen hebben liaan-achtige slierten aan overhangende bomen geknoopt om je aan op te trekken –– of overeind te houden. Onze rugzakken brengen we terug tot ťťn hele zware. De drager blijft angstvallig de paraplu erboven houden, de ander helpt hem omhoog, de volgende rotswand op, en de volgende.†

Weldra bloeden de voeten en zitten de kuiten vol kerven dankzij venijnig scherpere bladeren. Maar wie denkt nog aan omkeren als je al zovele hindernissen hebt overwonnen?

Zwijgend ploeteren we verder. Eťn troost: de rugzak is nog redelijk droog. Dan wijst Daantje vanaf een rots naar een stuk overspoeld strand en een heuvel. Daarachter moet civilisatie zijn. Op slag komt er een kippenvel-achtige vermoeidheid over me heen. Terwijl de regen tegen het lichaam slaat, waden we door de branding. Ineens maak ik een misstap en ga kopje onder. ‘Alle apparatuur naar de haaien!’ flitst het door me heen als ik weer bovenkom. Hartgrondig staan we even later te vloeken in zee. Zelfs Daantje vloekt mee.

Voordat de duisternis valt, lopen we Wasu binnen – toch nog een meevallertje. Meteen maar even door naar het huis van de bapa raja, besluiten we, zoals het aangespoelde vreemdelingen betaamt. Maar Daantje wil per se eerst bij z’n oom langs. Pas na de nodige woorden blijkt dat een en dezelfde persoon te betreffen — de oververmoeidheid speelt ons parten.

Als verzopen katten zitten we, dankbaar in droge handdoeken gewikkeld, op stoeltjes langs de muur van de overdekte waranda. De al wat oudere man neemt ons geamuseerd op. Bij de ingang staat nog steeds de zware rugzak. Geen van ons heeft zin om de inhoud te drogen te leggen.†

‘O, looft den Heer!’ roept Daantje wat later. Hij heeft zijn shirt uit de rugzak gehaald: ‘Droog!’

Aarzelend slaat onze verslagenheid om in kreten van euforie, zelfs de bapa raja lacht mee. Vliegensvlug spreiden we alles uit op de grond. Alleen die pgOOM kaart blijkt doorweekt in een zijvak – en terecht!


SAPARUA - HARUKU ?


Hoe gastvrij oom ons ook onderdak verschaft, na een blik op het ochtendgloren houden we Haruku voor gezien. Het hemelse gedonder kondigt zich in de verte alweer aan. Dan maar een andere keer het eiland rond, in een beter seizoen.

Alle paadjes in kampong Wasu leiden naar een brede asfalt strook tussen de kerk en de zee. Beter maar meteen gaan zoeken naar een boot. Braaf hobbelen we met rugzak en plu achter de bapa raja aan, hij zal de overtocht wel even regelen. Ook Daantje loopt mee: ‘Ik heb op Ambon nog een oom wonen.’



Weldra groeit ons groepje uit tot een kleine optocht met de bapa raja voorop. Oom houdt halt bij een man die tamelijk ongeÔnteresseerd tegen z’n huisdeur aanleunt. Hij blijkt de enige in de kampong te zijn die een buitenboordmotor bezit. De prijs ligt al afgerond klaar op z’n lippen: 25.000.

Dat is nogal wat. Meer dan de heenweg.

De omstanders kijken nieuwsgierig of we toehappen. Er is een goede kans, weet ik van Daantje, dat er later een boot uit het volgende dorp voorbij komt. Maar is dat zeker en is er dan ook nog plaats?

- Ach, straks komt er wel een boot uit Aboru voorbij, zeg ik schouderophalend.†

Alle hoofden draaien de kant van de bootman op.

‘Misschien ook niet,’ zegt hij en haalt zijn schouders op.

Alle hoofden draaien weer mijn kant uit.

Langzaam loop ik richting strand. De bapa raja twijfelt of hij zal volgen en of hij daarmee partij zou kiezen in de onderhandeling. Ik blijf doorlopen — maar weet eigenlijk niet waarheen of waarvoor —en probeer m’n intense afkeer van deze nationale handjeklap-sport niet te laten merken.

‘Als we nu meteen vertrekken,’ roept de man me zachtjes na, ‘dan doe ik het voor twintig.’†

Moet ik doorlopen? Hij zal vaker in het dorp zijn prijs moeten bepalen. Als hij gezichtsverlies dreigt te lijden, dan kŗn hij zelfs niet verder zakken. Grrrr..

Ik draai me om. Hij staat temidden van de omstanders. Met z’n allen kijken ze me afwachtend aan.

Op het moment dat ik instemmend knik, rent iedereen alle kanten uit, schreeuwend dat er een boot naar Ambon vertrekt!†

Pardon?

Aan het eind van de straat verschijnt een groepje sterke kerels om de boot het water in te tillen. Zo, da’s snel. Ben ik te achterdochtig of speelt ’t hele dorp hier onder ťťn hoedje? Vanaf gisterenavond al?†

- Daantje!


HARUKU (4)

Zo stil als het†hoofdstraatje daarnet nog omhoog liep, zo druk snelt de halve kampong er nu over heen en weer. Met baby’s, zieke opa’s, tassen, dozen, jute balen…

‘Het is een goede prijs,’ verzekert de bapa raja me. Ja, als het halve dorp meegaat, dan wel ja. Toch vraag ik me af of hij commissie krijgt of slechts wat goodwill.†En ach wŗt, gelijk hebben ze.


Het groepje sterke mannen keert de boot aan het strand en sleept ‘m naar zee. De boeg heeft de branding nog niet geraakt of het achterste deel zit al vol. Heel vriendelijk houdt men voorin ruimte voor ons vrij – om er te komen moet je wel door het hoogste water. Maar goed, we hebben meer lengte.†


SAPARUA BOOTREIS (1)



Zelfs als we door de branding zijn afgeduwd, peddelen enkele mannen in kole-kole’s nog fanatiek naderbij om vrouw of dochter aan boord te brengen. Vissers peddelen snel voorbij om met hun bootje de uitgespannen netten en fuiken te beschermen.†


SAPARUA BOOTREIS


Voorin blijf ik strak voor me uit kijken.†

Om niet te hoeven zien of er alsnog een boot uit het volgende dorp aankomt.


TULEHU AMBON



Fotofilm†Maluku†‘84

Terug naar†Inhoud Maluku†‘84

Blog Index

Home













Maluku ’84 -5: De Dukun van den Heer



Ondermijning van de Voorzienigheid Gods


huis ambon 3


Eens per week komt er bijzonder bezoek in het huis op Ambon waar ik te gast ben. Twee allerhartelijkste oudjes, gestoken in zondagse kleren. Op zich niets bijzonders, ware het niet dat iedereen in huis zo nadrukkelijk zwijgt over het doel van hun komst. Die twee komen niet zomaar op de thee.

Na een tijdje wil tante aan het stel ‘even iets laten zien’. De slaapkamerdeur gaat hoorbaar op slot. De ene keer voor een half uurtje, de andere keer voor een uur. Het bordje ‘niet storen’ hoeft niet aan de deurkruk, de boodschap staat binnenshuis op ieders gezicht uitgespeld. Terloops gestelde vragen worden even terloops omzeild.†

Om bloednieuwsgierig van te worden.†

De bezoekende oom is een zeer joviale man, uiterst tevreden met het leven dat hem is gegeven. Hij is er dan ook de man niet naar om erg geheimzinnig te blijven over het doel van z’n bezoek. Als we elkaar voor een derde keer ontmoeten, begint hij een breedsprakig betoog over God & bijbel maar eindigt al snel bij tante’s chronische kwaaltjes.†

Dan begint het bij mij te dagen: oom is een dukun. Tijdens de sťance maakt hij gebruik van gebed… Ťn van magie.

Al eerder zagen we in Waai (op Ambon) dat er wel degelijk nog oude tradities beleden worden.


Waai schelp


Waai water 1


Waai mes

Op Ambon menen vele gelovigen dat dit eigenlijk niet kŗn. De twee vloeken met elkaar. Het is een ondermijning van de Voorzienigheid Gods.†

Oom belichaamt het oude wrijfpunt tussen adat en christendom. Je zou hem de Dukun van den Heer kunnen noemen.

Zodra z’n vrouw en hij zijn vertrokken, komen spontaan op samenzweerderige toon allerlei verhalen boven.†

Geen idee of we nu vertrouwelingen zijn of medezondaren.††

Gisteren nog: Usi had kaakpijn, oom plukte een takje uit de kebon voor haar om op te kauwen –– nadat hij zijn gebeden erover had uitgesproken.†

Nog geen half uurtje en wŤg is de pijn.†


‘Heb je moeilijkheden,’ verzekert Bung me, ‘ga naar oom Wim. Hij slaat de bijbel open en vertelt wat je te wachten staat. Ja ja, als Ūk die bladzijde nasla, kan ik er geen enkele aanwijzing in vinden. Toch komt het uit wat hij zegt. Meestal. Zijn vader had het ook, het zit daar in de familie.’†

De anderen knikken instemmend; er is meer tussen hemel en aarde.†

Drie eeuwen christendom hebben dat gevoel niet kunnen ontzenuwen.


Hila kerk

Hila.

AMBON kopie 2


Om wat meer over het leven van een dukun te horen, probeer ik oom later thuis op te zoeken. Ik weet alleen: oom Wim uit Latuhalat.†

De slingerweg door de kampong loopt dood op de kust – de zuidpunt van de ingang tot de Ambon baai. Her en der liggen er restjes rubberen slippers, die niet bestand bleken tegen het scherpe koraalgesteente. De kustwand loopt bij Latuhalat loodrecht de zee in. Er tegenop kruipt en leeft een heel andere, opvallend kleurrijke wereld. Latuhalat heeft, zo ver ik zag, de enige verticale zeetuin op Ambon.


Latuhalat strand


Aan de horizon, precies in het diepe midden van de ingang tot de baai van eiland Ambon, ligt volgens vissers een verzonken stad.†

Visser

‘Op oudejaarsnacht is om klokslag twaalf daar de zeebodem verlicht,’ beweerden twee vissers in volle overtuiging.†‘Daar kun je in de diepte op dat moment een oude stad zien liggen.†

Geen enkele prahu of boot zal op dat tijdstip de baai binnenvaren. Zelfs de Pelni- en vrachtschepen zorgen ervoor twaalven binnen te zijn of ze blijven buiten de baai wachten.’

- En als zo’n vrachtschip er nou niet van weet?

‘O, in elke machinekamer werkt wel een Ambonees.’

Wie toch de verzonken stad ziet liggen, aanschouwt een wonder — en tevens het laatste dat hij hier op aarde nog meemaakt.†

‘De stad lonkt en de zee slokt hem op,’ weten de vissers.†

Wie dit ooit heeft kunnen navertellen, is onbekend.

De Bandazee, een van de diepste zeeŽn ter wereld, met onderaardse kanalen, plotse stromingen, artesische bronnen en allerlei vreemde verschijnselen waar regelmatig onderzoek-expedities langdurig vertoeven… †en ach, waarom zou Atlantis daar diep, diep beneden nžet kunnen liggen..?


TANIMBAR (1)


‘Dacht u werkelijk dat de Hollanders opnieuw helemaal hierheen komen om de vissoorten te bestuderen?’ schamperde een Ambonese ambtenaar die bij de organisatie van de tweede Snellius-expeditie betrokken was geweest.


KEI


Terwijl ik in Latuhalat op zoek ben naar ene oom Wim, houdt elk normaal mens siŽsta. Het is ook tŤ warm en tŤ benauwd. De enkeling die zich nog op weg begeeft, kijkt me ongeÔnteresseerd aan: ‘Oom Bim…??’

Als we een vrouw om wat water vragen, stuurt ze haar man de boom in om een paar kelapa's te kappen. We vragen naar de vele varkens die aan de andere zeezijde van het dorp in kooien worden gefokt.†


AMBON, STAD

- Waarom alleen langs het strand?†

’Om de kampong niet te bevuilen.’

Of omdat de kampong anders in islamitische ogen onrein zou zijn, vraag ik me af maar hou m’n mond.

Praten over het verschil tussen christen- en muslimkampongs trekt vaak een beerput van vooroordelen open.†

Toch kan ik het m’n verbazing niet onderdrukken dat hžer varken worden gehouden terwijl elders, bijvoorbeeld op Tidore, wilde zwijnen worden doodgeschoten (omdat ze het gewas vernielen) en vervolgens begraven (omdat de bevolking islamitisch is).†

Ze halen hun schouders op.


Varkens strand

Een van de voornaamste hindernissen in de ontwikkeling van de Molukken is het povere transportsysteem.†

Wat op het ene eiland volop groeit, is bedorven voordat het een ander eiland kan bereiken.†

Toch kweken Ceram en Buru vele, langer houdbare groentensoorten voor de pasar van Ambon.†

De jonge kelapa bevat zoveel vocht dat ik de helft laat weglopen om met het scherp afgetikte kapje als schep het wit-weeÔge binnenlaagje te kunnen weg schrapen.

Latuhalat kokos




‘Oom Bim, oom Bim….?’ vraagt een groepje verderop zich gezamenlijk af. Zonder over gebedsgenezing te beginnen, probeer ik de man enigszins te schetsen.

‘Oooooh,’ zegt een vrouw, ‘oom Beng!’ En meteen wijst ze naar het eerste beste huis aan de overkant,. Staan we er pal voor? Iedereen lacht: jaja, dat moet ‘m zijn.†

Maar goed, nu is het hun beurt: ‘Nyong, namanja siapa? Asal darimana? Sudah kawin?’


Niemand van het gezellige siŽsta-clubje blijkt verre familie te zijn, ik mag verder gaan. Ze sturen een klein joch mee, maar roepen zelf al naar het huis: ‘Tante, tante! Tamu dari Holland…!’


Latuhalat waranda 2


De tante van het betreffende huis laat me meteen binnen – om me vervolgens te vertellen dat ik aan het verkeerde adres ben. De oom die ik bedoel woont volgens haar verderop.†

Maar eerst even thee en pisang goreng, toch?†


Latuhalat waranda


Nona is al met mama’s opdracht de keuken in. Wie van verre komt, kan de saaie middaguurtjes amusant doorbreken.

Bij de thee snijden moeder en dochter hŤt dorpsgesprek van de week aan: Daddy Mahulete. Ze denken het drama aan een volslagen buitenstaander te vertellen, maar weldra bekruipt mij verbazing en droevenis. Het toeval wil dat ik tijdens een eerdere reis Daddy interviewde als een van de vele repatrianten (Tjengkeh 2/84).


Latuhalat Daddy


Daddy had in Nederland medicijnen nodig om met zijn astma te kunnen leven. Voor de frisse lucht repatrieerde hij dertien jaar geleden naar Latuhalat om in het ouderlijk huis dichtbij zee te gaan wonen. Als oudste van de oudste zoon meende hij rechten te hebben op de rondom liggende familiegrond.†

Maar zijn familie gunde hem nog geen meter: er moesten inmiddels al te vele gezinnen van leven. Dat begreep Daddy best. Maar om zelf toch een beetje erf achter z’n huis te hebben, nam hij zich enkele meters in. Voor zijn levensonderhoud.†


Ambon Beambten

Daddy repareerde allerhande machines en motoren in het dorp, hij was meer dan handig.†

Naderhand had hij elders ook nog een kleine steenbakkerij opgezet. Alles tezamen kon hij ervan rondkomen.†

Hij had vrienden en z’n gezondheid was redelijk te noemen.†

Maar dertien jaar en zeven kinderen later was het voor hem en zijn Javaanse vrouw nog steeds onprettig wonen in de kampong door niet aflatende ruzie met z’n familie.†


Een nieuwe regeringsmaatregel dreef het geschil op de spits. Ambtenaren kwamen de dorpsgronden in kaart brengen en legden daarbij voor het eerst officieel de eigenaar vast.

Soms verzucht men wel dat het Indonesische regeringsbeleid fataler is dan het koloniale beleid ooit was.†

Ambtenaren


De Hollanders maakten tenminste eerst nog enige studie van de plaatselijke verhoudingen, ook al was het om beter te kunnen overheersen –– of sneller te kunnen dopen. Dťze regering walst echter blindelings over alle adat heen. Onder het mom van vooruitgang.

Vroeger had dorpsberaad misschien nog enige oplossing kunnen brengen, maar nu dienden de oude grenzen zonder pardon te worden vastgelegd. Met kritieke familiesituaties tot gevolg.

Als oudste van de oudste zoon zou de grond stellig op Daddy’s naam komen te staan. Hij maakte er al langer geen geheim van dat hij van plan was te verhuizen. Hij wilde aan de overkant van de baai een garage beginnen.†

Latuhalat daddy 2

De schrik sloeg de familieleden om het hart. Ze vreesden dat hij de grond zou verkopen. Terecht of niet, hij had wel zeven kinderen, zeven erfgenamen. 'Tapi Daddy itu rasa diri paling besar.'

Het familiestandpunt viel eveneens te begrijpen. Als Knil-soldaat was de oudste zoon naar Holland gegaan en er gebleven. De achterblijvers hadden voor het land gezorgd en waren er nu na alle kinderaanwas ervan afhankelijk. Maar dan komt een neefje uit Holland z’n deel opeisen.†

Zonder ook maar in te gaan op hoe groot zijn deel dan wel zou moeten zijn, stelden ze paal en perk: nog geen meter.

Dertien jaar bleef de situatie bevroren. Als Daddy’s vader, de familie-oudste, overkwam uit Holland, liep het bezoek slechts op nog meer ruzie uit.†

Maar er moest natuurlijk wel iets gebeuren.

Bij de thee vertelt de vrouw het drama dat volgde. ’s Ochtends om acht uur was een neef vlakbij Daddy’s huis hout aan het kappen. Daddy scharrelde wat rond. Er ontstond een woordenwisseling. Op gegeven moment stoof neef op Daddy af. Deze rende het huis in en greep een matras van het bed om zich te beschermen. Maar de bijl ging er dwars doorheen.†

Vanachter een openstaande deur was Daddy’s oudste zoontje stille getuige. Neef vluchtte weg. Het joch rende naar z’n moeder in de keuken. Ze had niets gemerkt.

Verdere afloop hoefde ik niet te weten. Overdonderd door het verhaal sta ik even later in de snikhete zon na te denken. Over sommigen in Holland die soms trots en achteloos roepen dat ze hier nog ‘grondrechten hebben’. Ze zullen hun droom bij moeten stellen.

Veel zin in de speurtocht heb ik niet meer, maar Latuhalat ligt nogal afgelegen, dus vooruit verder en vragen maar weer.

Latuhalat kampong jongens kopie


‘Tante Beng Kelapa!’ meent een klein joch. Hij wil me er wel heen brengen als ik plechtig beloof die naam niet hardop te herhalen als oom Beng erbij staat.†

Tussen vele hoge palmbomen door komen we uit op een groot erf. Een groepje mannen staat een roestige auto van grijs naar hemelsblauw te spuiten. Tegelijkertijd vechten ze terzijde een toernooitje badminton uit. Op de waranda voor het huis zitten enkele vrouwen te praten en kleren te verstellen. Enkele kinderen spelen rond een schommel aan een manggaboom. Een jongen tokkelt wat op een gitaar. Ernaast zit een al wat oudere man te knutselen aan een viool.†

- Oom Wim? probeer ik.

Met uitgestrekte armen veert hij op om me te begroeten.

Wat heet gastvrijheid.†

Nog voordat we goed en wel een woord wisselen, zetten vader en zoon een welkomstmuziekje in voor het onverwachte bezoek. Een dochter sleept twee stoelen aan. Moeder de vrouw komt even later met thee en gebakken ketela (zoete aardappel).


Oom Beng


Moe als we zijn, laten we het ons graag aanleunen. Af en toe komt er iemand uit de kampong bij zitten of gaat een man met groente van de dusun weer door naar huis.†

Een paar van de badmintonners vallen soms neuriŽnd in of zingen en spelen mee als er lagu-lagu Ambon klinken. Pa probeert met zijn zelfgebouwde viool de muzikale leiding op zich te nemen, maar de jongens maken het hem niet makkelijk.†

Ze plagen hem, iedereen lacht.†


Oom Beng alleen

Binnen een half uurtje gingen we van een dramatisch familieverhaal naar een tŤ idyllisch familie-middagje op de waranda…. tijd om wakker te worden.

Oom wil me graag te woord staan. ‘Wie weet heeft een ander er wat aan.’ Want een boodschap heeft hij zeker.†

Als ik m’n mini-recorder op tafel zet, heft hij een dominee’s toontje aan — en maken de jongeren zich snel uit de voeten. Maar gelukkig vervalt hij al gauw weer in eigen tevreden doen.†

‘Ik was vroeger beslist geen lieverdje, hoor. Elke dag weg van huis. Om maar niet te hoeven werken op de dusun. Het enige dat deze jonge jongen aansprak, was wat rondhangen in de kota, wat muziek maken en wat voetballen. En dat werd nÚg erger toen allebei m’n ouders overleden.†

Maar ik moest wel in m’n eigen onderhoud voorzien en aan geld zien te komen. Ik moet kunnen wat mijn vader kon, bedacht ik me. Die was helderziend. Maar die gave had ik niet. Toch wilde ik macht hebben over… ja, ze noemen het wel zwarte magie. Dan zou alles makkelijk te regelen zijn, hoefde ik niet op de dusun te werken.†

Daar ben ik me heel serieus in gaan verdiepen. Het eiland Manipa stond bekend om z’n orang belajar bewangi. Oude mensen die er alles vanaf weten. Ik ben er met een prahu heen gevaren. Echt, in m’n eentje. En ik ben er een paar jaar gebleven. Goed, meer wil ik er liever niet over vertellen. Het is beslist een slechte zaak om je met die dingen bezig te houden.†

Maar in ’53 was ik nog steeds bezig met die duistere kunsten. Ik had al vier kinderen, we leefden van de muziekinstrumenten die ik maakte. En van vissen op zee. En toegegeven… ook een beetje als bandiet. Dat spijt me, maar verder doet het er niet meer toe.†


kinderen


Toen werd plots mijn vierde kind ziek. Hij heeft dezelfde naam als ik. Hij werd steeds erger ziek. Al mijn middeltjes hielpen niet. Alles dat ik op Manipa had geleerd, probeerde ik uit. Maar tevergeefs. Tenslotte bracht ik ‘m naar dokters in de kota. Hun injecties hielpen ook niet. Niets hielp en m’n kind werd alsmaar zieker.†

Toen hij tenslotte lag opgebaard, leek het alsof hij huilde. Ik wist me geen raad en liep van huis weg. Ik bad en bad en legde voor mezelf de gelofte af me nooit meer met die andere wereld bezig te houden.†

Toen ik terugkwam, lag hij nog steeds te huilen. Ik vluchtte de andere kamer in, legde de bijbel boven mijn hoofd en herhaalde de gelofte.†

Niet veel later werd m’n kind begraven. Vreselijk. Maar goed, ik wist niet beter dan dat het voorbij was. Totdat daarop weer een kind ziek werd. Wat moest ik dan nog doen?!


jongens gitaar


Ineens besefte ik nog allerlei pekakas-pekakas uit Manipa in huis te hebben. Alles heb ik bij elkaar gehaald, op tafel gelegd en lang gebeden. Daarna heb ik ze in het bos begraven. Dat was op een zaterdag, weet ik nog, om twee uur ’s nachts.†

Toen ik terugkwam, kon ik zien dat de ziekte uit het tweede kind vertrokken was. Echt, hij zag er meteen een stuk beter uit.†Anderen zagen het ook en het verhaal ging het dorp rond. Sinds die tijd vragen mensen soms mijn hulp.†

‘Ik weet niks en ik kan niks,’ zeg ik hun meteen. Maar ik ga wel altijd met hen mee om bij de zieke te bidden. Ook al ben ik helemaal niet zo welbespraakt als de meeste dominees.


Interieur met jezus

Inmiddels doet oom dit al eenendertig jaar lang. Ook van andere eilanden, zelfs van Java, komen er soms mensen naar hem toe.†

‘Ik kan niets anders dan bidden, zeg ik meteen.’

- Maar hoe zit het dan met die voorspellingen en kruidenrecepten?

‘Tja, een gevoel in mijn hart wijst me soms de weg. Dat geeft God aan mij door. Als ik de bijbel opensla, weet ik het eigenlijk al. Maar veel betekent het niet, hoor.’

- Is dit dan niet hetzelfde als uw vader deed..?

‘O, nee!’ roept oom Beng beslist. ’Vader deed het zonder bijbel en dat was geen goede zaak!’†

Hij zwijgt even – en erkent dan baas-boven-baas:†‘Alles is immers in God’s handen.’


kerkdienst


Fotofilm†Maluku†‘84

Terug naar†Inhoud Maluku†‘84

Blog Index

Home

























Maluku ’84-4: Een toevallige ontmoeting


‘Niemand droomt hier nog over de RMS.’


repatrianten 4


Ergens op Ambon, afgelopen zomer. Vanaf het kruispunt in de kampong vecht hij de verveling aan. De man is ver in de zeventig schat ik, maar duidelijk te levenslustig om zich over te geven aan de beperkingen van de oude dag. Zonder echt nieuwsgierig te zijn, kijkt hij toe wie er zoal het dorp verlaten en binnenkomen. Op zoek naar een verzetje –- en dat worden wij als we hem naar een familieadres vragen.

‘O, die wonen in dat witte huisje daar, helemaal links. Maar bespaar je de moeite, nyong, ze zijn vanochtend al vroeg weggegaan. Naar Ambon Kota, denk ik.’


kampong 5



We leggen hem nog een naam voor.†

‘Ja, ja…die ken ik wel…. maar die woont in het volgende dorp. Kom, ik loop wel even mee.’

Meteen staat hij op.

Kampong

‘Loupatty, zei je? Komt jouw vader soms uit Tuhaha? Ja, dat dacht ik al. Ken je de familie…’ Al pratende gaat hij op weg en in vol vertrouwen lopen we met hem mee.

De volgende kampong blijkt een flink stuk verderop te liggen. Oom heeft moeite met de felle zon van het middaguur.

Langs de weg valt het leven geleidelijk aan stil. Als we een uitgaande school passeren krijgen we een rits kinderen op sleeptouw. Verlegen maar o-zo nieuwsgierig spitsen ze hun oortjes.†

Oom vertelt volop, zij het steeds kortademiger, over de talrijke boomsoorten langs de weg.†

Als hij ergens naar wijst, gaan alle kinderkopjes die kant uit. Van rusten wil hij niet weten.†


kampong 9


We zien een mooie, oude kalebasboom met een bankje eronder. Oom zegt dat het een halte is voor de otobis. Uitgebreid bekijken we de halfrijpe vruchten, zodat hij even kan gaan zitten. Gelukkig is hij daar niet te trots voor.†

Kinderen krasten hun namen in de jonge vruchten, de letters zijn meegegroeid en in grillige, inktzwarte tekens veranderd.


kampong 3


Oom denkt het weer aan te kunnen en hervat de wandeling.†

‘Hoe vind je dat huisje daar?’ wijst hij.

Niet goed begrijpend, antwoord ik maar: ‘Leuk.’

‘Daar woon ik! We zullen er wat drinken.’


repatrianten


Zijn huiskamer is op gastvrijheid ingericht: langs de wanden staan meerdere tafeltjes en stoeltjes. Alle deuren staan open - zonder dat er iemand thuis lijkt te zijn. Op de waranda ligt wat cengkeh te drogen. Als hij een paar keer roept, komt er toch een vrouw tevoorschijn. Wellicht hield ze siŽsta. Oom zegt dat er thee moet komen. De vrouw kent de kleine dictator wel beter en neemt zijn bestelling glimlachend aan.†


kampong 4



Ik vraag naar de kamer kecil. Oom staat meteen op. Hij begeleidt me er heen en blijft voor de deur staan wachten. Om me de weg terug weer voor te gaan. Om te voorkomen dat het bezoek iets steelt of behoort het tot de etiketten?†

Op zich zou een wachtend iemand voor de toiletdeur op m’n zenuwen werken, maar bij deze joviale man maakt het niet uit.


repatrianten 1


In afwachting van de thee haalt oom een map met documenten uit een kast. Het betreft een uitkeringsaanvraag voor oorlogsslachtoffers. Als zovelen heeft hij het verzoek een jaar geleden ingediend ‘bij een Hollandse meneer in Bandung’ — en tot op heden zelfs geen bericht van ontvangst gekregen.†

Tijdens de Japanse overheersing heeft oom in verschillende interneringskampen vastgezeten. Maar daar praat hij liever niet over. Zijn antwoorden zijn kribbig en kort-af, dus ik vraag er niet verder naar.



Wel wil hij z’n gram kwijt over het nog uitstaande Knil-soldij.†

‘De periode 1940-45 hebben we nooit betaald gekregen. Terwijl de regeringen tijdens de overdracht dat heel duidelijk beloofd hadden. Ze zeggen hier dat Nederland wel heeft betaald, maar dat de Indonesische regering niet heeft afgedragen. Ik weet het niet, maar het zou me niet verbazen.’


kampong 13


Na de oorlog kreeg oom in 1946 een maand verlof om naar Ambon te gaan. ‘Toen ik hier aankwam, lag de hele stad plat. AustraliŽ, Amerika en Nederland hadden om beurten bommen laten vallen. Op alle eilanden waar ze dachten dat Jappen konden zitten. Ambon Kota was bijna met de grond gelijk gemaakt. Een van de weinige bouwwerken die bleven staan, was de oude moskee. Daar werd het gebouw nog heiliger door dan ze al meenden dat het was. Nu er een nieuwe moskee staat, wordt die oude nog steeds niet afgebroken.


Kampong 2


'Pas in 1950 mocht ik opnieuw met recorperatie-verlof. Veel was er nog niet herbouwd. Zelfs de grote kerk in Ambon Kota niet. De Molukse mannen in het Knil op Java mochten ook niet terug om te helpen opbouwen.†

Terwijl ik hier met verlof was, werd de RMS uitgeroepen. Terug naar dienst op Java kon toen niet meer. Wat een toeval, hŤ? Anders was ook ik naar Nederland overgebracht. Was m’n leven heel anders verlopen.


CERAM kinderen

Na die RMS-proclamatie leefde er hier een sterk eenheidsgevoel op. Men begon ook serieus aan de wederopbouw. Maar toen kwam de landing van de TNI-troepen en werd alles opnieuw met de grond gelijk gemaakt. Er braken vele branden uit. We hebben toen hard teruggevochten. Man tegen man ging dat.’

Terwijl zijn vrouw de thee uitschenkt, valt oom even in stil gepeins. Dan pakt hij de draad weer op, zij het op zachtere toon.

‘Ik ben voor Soumokil blijven vechten. Totdat hij in ’62 gevangen werd genomen. Toen hield de strijd wat mij betreft op. Ik geloof nog steeds in de RMS. Maar ja, de Indonesische overmacht was te groot. We zouden het nooit kunnen winnen. Als je er niet openlijk over kunt praten, is het moeilijk een eenheid te vormen. En helemaal moeilijk met de andere eilanden.

Als mijn verleden bekend raakt, loop ik nog wel gevaar, denk ik, om opgepakt te worden. De meesten van ons, Soumokil-strijders, zijn nu te oud en willen dat risico niet meer nemen.†

Nee, de jongeren hebben de strijd niet overgenomen. Sommige mensen hier zeggen wel dat die Molukse jongens van de treinkaping in Holland gek zijn, maar je moet niet vergeten dat alleen zŪj hun mening openlijk kunnen uiten. Voorstanders van de RMS hoor je hier natuurlijk niet. Als men in het geheim mocht stemmen… ja, dan weet ik nog zo net niet wat de uitkomst zou zijn.


CERAM (1)


In 1950 waren vrijwel alle Ambonezen voorstander. Maar toen was de economische situatie veel slechter. Nu hebben iedereen ‘t over het algemeen iets beter. Slechts een beetje, hoor. Toch is het maar de vraag of ze dat in de strijd willen gooien. IndonesiŽ is overmachtig. Ze kennen de gevolgen op Timor en Irian Jaya.†

Zelfs al zou de RMS er komen, dan betekent dat bijvoorbeeld ook dat de Kei-eilanden, Tanimbar en de andere eilanden erbij horen. Ik denk niet dat de RMS daar erg populair is. Ze krijgen er nooit duidelijke berichten over. Veel van de strijd ging trouwens vroeger al aan hen voorbij. Ook daar trekken goed-geschoolden weg. Meestal naar Java.†



Ik heb me erbij neergelegd. Toch zeg ik niet dat wij al die jaren voor niets hebben gevochten. Iedereen wil vechten voor z’n eigen land, toch? Met al onze hout- en visexport zouden we best op onszelf kunnen bestaan. Beter zelfs. Maar ik praat er liever niet meer over. De tijd verandert de mensen en hun problemen.†

Molukse jongeren hier weten weinig van de RMS af. Zelfs mijn eigen zoon. Ze hebben een vaag en verkeerd beeld. De jongeren in Holland krijgen er meer over te horen. En beter, denk ik. Nee, hier droomt niemand meer over de RMS. Ieder voor zich, voor z’n eigen gezin.’


KOTA AMBON


Uit een grote doos haalt oom een propagandaboek van het Knil en wijst me op twee foto’s waarop hij staat. Soerabaja 1947. Soms met wat weemoed, soms met verbittering, bladert hij er door en vertelt.†

Op een pagina staat in grote letters:Laat mij gerust een OVW’er zijn, zo’n doodgewone jongen in z’n groene pakkie, die weleens kankert op z’n tijd, maar als het moet de spits afbijt, een OVW’er in z’n groene pakkie.

Mogelijk verraadt m’n stem enig sarcasme bij het hardop lezen van de tekst want oom klapt pardoes het boek dicht. Hij stopt het terug in de doos waar nog meer in zit, maar hij bergt ‘m weg achter slot en grendel.

‘Allemaal voorbij,’ bromt hij.


groep kinderen


Fotofilm†Maluku†‘84

Terug naar†Inhoud Maluku†‘84

Blog Index

Home






Maluku ’84 -3: De Banda eilanden


Banda, een eenzaam eilandengroepje in een van ’s werelds diepste zeeŽn.†

Met misschien wel het mooiste natuurschoon van heel de Molukken.


BANDA (5)


Nootmuskaat tek 4

Was Banda eens bekender dan Ambon of zelfs Batavia, na Merdeka ’45 zonk het regelrecht naar de vergetelheid.†Jongeren zien zich gedwongen de eilanden te verlaten.†

De eens zo vermaarde nootmuskaat-cultuur is nu zienderogen aan het wegrotten. Van nieuwe aanplant is nauwelijks sprake.†


Kaart Banda


De noten bepalen echter nog steeds Banda’s lot. Veranderingen daarin zijn om onduidelijke redenen verboden. Het beleid van de overheid is even rampzalig als dat van het oude VOC.†

De geschiedenis herhaalt zich hier niet,†ze is nooit anders geweest.


Ambon, Laha, Pelni


Vanaf Ambon vertrekt eens in de twee weken een schip van de staatsmaatschappij Pelni naar de zuidelijke eilanden van de Molukken.†

Na twee ŗ drie weken bereikt het schip de eindbestemming, het verst afgelegen eiland Tanimbar.†

Officieel mogen er 250 passagiers aan boord, maar de kapitein schat hun aantal zelf op minstens het dubbele.†


Pelni

Toch maakt hij zich geen zorgen als de havenmeesters ter controle aan boord komen.†

'Ze komen hun drinkgeld ophalen“, smoest hij met me, terwijl we van de brug toekijken, ‘niemand hoeft van boord.’

Het schip is de enige betaalbare verbinding met het zuiden. Zonder dringende reden ga je echter niet aan boord: de reis is traag, stinkend en claustrofobisch.

Zodra het schip de baai van Ambon uitvaart, moeten de ‘verstekelingen’ alsnog bij de bemanning melden en ‘een kaartje kopen’.

Afhankelijk van schip en weer duurt het ergens tussen twaalf en vierentwintig uur voordat de eerste aanlegplaats wordt bereikt: Banda Neira.†


Rond een vulkaan steekt onverwachts een groepje eilanden de kop†boven†de immens diepe Banda Zee. Naar alle windrichtingen is er niets anders te zien dan een leeg wateroppervlak.†

Map Banda

Op vele wereldkaarten staan ze niet eens vermeld.†

Hooguit als een paar zwarte stipjes in een diepblauwe kleur. De eindeloos uitgestrekte leegheid van de insluitende zee maakt Banda gevoelsmatig nog kleiner en kwetsbaarder.†

- Is dit het…? Begon hžer in 1599 de latere kolonialisatie…?!



Banda vulkaan


Toch was op gegeven moment in de geschiedenis er een massamoord voor nodig en het inhuren van allerhande huursoldaten en Japanse samoerai zwaardvechters om deze elf puntjes in VOC-bezit te krijgen.†

Om te monopoliseren, want nergens ter wereld groeide dat ene vruchtje: de nootmuskaat. Een uniek natuurgeschenk dat het lot van de eilanden voor eeuwen al bepaalt.


Van de Broecke nootmuskaat

Drogende nootmuskaatnoten en Van de Broecke, een van de allerlaatste, zelfstandige perkeniers.


Eenmaal aangelegd, voel je een wat beklemmende, zelfs wat magische sfeer rond de vulkaan hangen. De legendarische vulkaan waar al eeuwen elk verslag over uitweidt. Een vulkaan die met name gedurende de sporadische bezoeken van twee Gouveneurs-Generaal overging tot vuurspuwen.†

Tijdens het Van der Capellen-bezoek in 1824 barstte de vulkaan zelfs in vlammen uit op het moment dat het stoomschip van de ‘Indische Keizer’ de baai binnenvoer. De ongeveer 600 meter hoge vulkaan is aldoor nog actief. Vorige jaar telde een bewoner op de kwalijkste dag maar liefst 73 grote en kleine schokken.


Fort


Tegen de heuvels ligt het kleine, stevig gebouwde Fort Belgica. Nog steeds in opmerkelijk goede staat. Een verweerd bordje meldt dat de Vereniging Bandasche Belangen nog in 1935 de vier massieve torens hebben gerestaureerd. Zo te zien betekende dat herbouw van de inmiddels bekladde torens.

BANDA (6)

Door het dorp Banda Neira lopen straatjes van zwart granietgruis.†

Soms zitten er kleurige scherven van Chinees porselein en Hollands aardewerk in verwerkt.†

De weggetjes zijn soms zo smal dat je wel bij de overburen naar binnen mÚet kijken en niet anders kunt dan hun woordenwisseling volgen.



BANDA


Banda straatje pilaren kopie

Op enkele waranda’s zijn de donkerbruine plavuizen nog redelijk intakt.†

De terugkerende aardbevingen dwong tot lichtgewicht huizen, die indrukwekkender moesten lijken dankzij nogal lompe pilaren langs de waranda of het bordes.†

Klimops slingeren van de ene naar de andere pilaar om het zonlicht te filteren. Binnen, soms op uitgestrekte wit-marmeren vloeren, staan nog enkele, al dan niet kapotte, oudhollandse meubelstukken.


Nog steeds wonen de werkers achter het huis van de baas.


Het lijkt vaak alsof de huidige bewoners weinig binding hebben met de panden. Toch konden ze er pas intrekken nadat ze Úf aan de vertrekkende Hollanders Úf aan de Indonesische regering hadden betaald.†

Sommige gedeelten staan er verlaten en vervallen bij: ingezakt en overwoekerd met mos of ander groen.


BANDA kopie 2


Het benodigde geld ontbreekt duidelijk en zelfs de eenvoudigste reparaties worden niet uitgevoerd. Teneergeslagen armoede. Alleen de buitenkant krijgt jaarlijks, tijdens de nationale vrijheidsdag, een verse kalklaag. Op ‘aandringen’ van de plaatselijke overheid.

De grotere vertrekken blijven leeg, als algemene ruimte. De verschillende families huizen in de kleinere zijkamertjes.


BANDA (2)


Op de brede waranda van het voormalige residentiehuis is een oudere vouw met een koolstrijkijzer in de weer. Met een pingpong tafel als strijkplank. Verderop geeft een jonge vrouw aan enkele kinderen onderwijs.†Binnen houdt de plaatselijke overheid kantoor.†


BANDA (2) kopie


BANDA (3)

Onder de kapotte, kristallen lampen en de oud-Hollandse motieven in het plafond hangen de portretten van de huidige staatshoofden.†

Hier en daar staat de vloer blank, maar er is naar men zegt eindelijk geld beschikbaar om het dak van nieuwe houten latten te voorzien.

In een zijvertrek staat in het vensterglas een gedicht gekrast, ondertekend en gedateerd 1 september 1831.†

De huidige bewoners beweren dat de Hollandse ambtenaar zich in deze kamer uiteindelijk heeft opgeknoopt.†



Ondanks alle aardbevingen zit het glaspannetje nog even kwetsbaar tussen vier sponninkjes.†

Door de tekst heen is er zicht op een vervallen aanlegsteiger.


Gedicht

‘Quand viendra-t-il le temps que formera mon bonheur?

Quand frappera la cloche qui va sonner l’heure?

Le moment, qui je reverrai les bords de ma patrie,

Le sein de ma famille, que j’aime, que je bťnis.’


‘Wanneer komt de tijd die mij geluk zal brengen?

Wanneer klinkt de klok die dat uur zal slaan?

Het moment dat ik de kusten van mijn vaderland zal weerzien,

En de schoot van mijn familie die ik liefheb en zegen.’



BANDA (1) kopie

Van der Wall meldt in ‘De Nederlandse Oudheden in de Molukken’ (1928) dat de 35-jarige resident Rutger Schwabbing de schrijver moet zijn geweest.†

De handtekening kwam overeen met die op documenten in het landsarchief te Batavia.†

‘Volgens het grafschrift was zijn geboorteplaats Noordwijk en de datum van zijn overlijden den 12 april 1832.†Het uur der verlossing sloeg voor hem dus niet meer…’






BANDA (4) kopie


Een kijkje door een ander raam geeft zicht op een borstbeeld van koning Willem III. Volgens een van de ambtenaren wilden Japanse bezetters tijdens WOII het bronzen geval met andere Hollandse zaken in zee werpen.†

Iemand verborg het echter in een kuil. Het bleef er liggen totdat na de Nieuw-Guinea kwestie enkele Nederlanders er aandacht voor hadden. Vlak voor de vroegere stallen, waar tegenwoordig ook overheidskantoren zijn gevestigd, kreeg Willem III weer een plaatsje.†


BANDA (4)


Oom Henk, sinds vijftig jaar opzichter van een perk (notentuin): ‘De Japanners wilden niet in perkeniershuizen wonen. Ze stelden nieuwe huizen samen uit onderdelen van de Hollandse woningen. Ze hadden de opdracht om alles dat Hollands was †te vernietigen. Huisraad en boeken, ze staken ze allemaal het liefst in brand.

Van hen mocht je ook niet in de notentuinen werken. Je diende groentetuinen aan te leggen en in je eigen behoeften te voorzien. De noten bleven liggen. Soms gaven ze het bevel om de bomen te kappen. Voor brandhout. Dat deed je dan maar, anders werd je geslagen.’


Banda straat mensen

De huidige bevolking stamt voornamelijk af van geÔmporteerde werkkrachten die varieerden van slaven tot veroordeelden en contractarbeiders.†

Uit West Irian, Java, Sumatra en Celebes.

Door de eeuwen heen raakten ze vermengd tot ‘perkeniersbloed’ — terug te vinden in namen als Ali van den Broecke, Mohammed Leurs of Umar Rhemrev (omgekeerde achternaam voor een buitenechtelijk kind).





Gescheiden van het residentiehuis door een stille straat, staat de oude sociŽteit De Harmonie. Het gebouw werd elke avond druk door de perkeniers bezocht, die de reputatie hadden absoluut niet met geld te kunnen omgaan.

Eigen of geleend geld, ze leefden de meeste tijd als God in Frankrijk. Er bestond vrijwel geen luxe die ze niet importeerden. Van de beste wijnen tot kroonluchters en zelf een automobiel, waarmee ze feitelijk nergens naar toe konden.

In de sociŽteit kwamen zij ’s avonds bijeen om de eenzaamheid te verdrijven die elk klein eiland wel kenmerkt. Ander vertier was er niet, behalve dan een wandeling langs de promenade naar het fort op de uiterste punt.†


Fort + omgeving


De langwerpige zaal, waar eens de fauteuils en de biljarttafels stonden, is nu met schotten onderverdeeld in vijf woonruimten. Op het achterbordes heeft elk gezin een keukentje afgebakend. In de tuin waar zo te zien ooit jeu de boule of dergelijk balspel werd gespeeld, staan enkele bamboehouten toiletten.


BANDA Van de Broecke kopie

Ben van de Broecke, perkenier.


Ben van de Broeck vertelt dat zijn familie zelden in de Harmonie kwam. Zoals de Hollanders te Batavia neerkeken op de provincialen van Ambon, zo keken de laatsten neer op de perkeniers. De enkele ‘blanke’ perkeniersfamilies voelden zich weer verheven boven de zichtbaar 'niet-meer-zo-blanke' families, zoals Van den Broecke.†

Oom Henk, opzichter: ‘Vroeger was er ook een groot verschil tussen christelijke en islamitische werkers. Nu is iedereen gelijk, ofschoon de muslims in overgrote meerheid zijn en dus voor ’t zeggen hebben. Tussen de perkeniers en de opzichters waren de verschillen natuurlijk nog groter. De ‘Hollanders’ gingen ’s ochtends naar de kerk, de overigen ’s middags.’

Oom Anis, eveneens opzichter: ‘Veel Javanen en Butonezen werden voor drie ŗ zes jaar gecontracteerd. Daarna gingen ze meestal terug. Alleen de opzichters kregen een huisje toegewezen. De rest moest zelf maar zien waar ze woonden.’†


Straat Banda


Nog steeds woont het overgrootste deel der Bandanezen in dit soort kleine huisjes – misschien nog steeds dezelfde. Zoals in het achteraf gelegen arbeidersdorp Raja Wali.†

Of in een serie zwart geblakerde, tegen elkaar leunende schuren op het erf achter de oude perkeniers huizen. Als hun economische situatie al verschilt met vroeger, zal het verergerd zijn.


BANDA man mes

Oom Anis:†‘Er werd gewerkt van zes uur ’s ochtends tot twee uur ’s middags. Daarna mocht je in de tuinen niet meer komen. Daar stond straf op.†

Dan ging je vissen op zee.

Sommigen hadden een klein groentetuintje, meestal hogerop de berg, waar geen noten groeien.

In de avonduren werd bijvoorbeeld het wajang spel opgevoerd. Elk perk had soms wel zoiets. Of men ging gokken.†

Maar om tien uur moest je binnen zijn. Zodat je de volgende ochtend fit was om te werken.’



Tegen het eind van de 19de eeuw konden de ‘Hollanders’ alsnog opzichter van hun eigen perk worden, dat vervolgens via hypotheken in handen van de Crediet en Handelsvereniging kwam. Uiterlijk gaf het weinig verandering. Door de eeuwen heen gingen de perken op papier wel vaker van hand tot hand vanwege opgelopen schulden.†

Waarschijnlijk hoopte men het familiebezit op de een of andere manier wel weer terug te krijgen. Hun schulden waren door de koloniale regering al vaker kwijt gescholden.†Om leegloop te voorkomen en de eilanden kwijt te raken.†


BANDA waranda kinderen


De notenteelt was al lang niet meer lucratief, maar de perkeniers bleven evengoed in stijl voortleven – een vorm van chantage. Maar ze waren wel altijd zo verstandig om de werkers stipt op tijd hun loontje uit te betalen.

Oom Henk: ‘De meeste perkeniers kwamen slechts eens in het kwartaal een kijkje nemen. Of alleen als het oogsttijd was. Maar er waren er ook die elke dag kwamen, zoals de oude De Vries voor wie ik werkte. Hij was geen slechte man. Maar na z’n vertrek heb ik nooit meer iets van hem gehoord. Geen brief, niets. Nu denk ik er niet meer aan, hij zal wel dood zijn.’


Perkeniershuis Banda


Enkele perkeniers kwamen na WOII uit de interneringskampen terug naar Banda. Waar moesten ze in die hectische tijd ook anders heen? Velen waren feitelijk geboren en getogen Bandanezen. Maar in 1948 trokken velen alsnog definitief weg. Slechts enkelen kozen voor het Indonesische staatsburgerschap.


PerkeniersHuis 2

De enige die tegenwoordig nog een perk in eigen bezit heeft, is de heer Van den Broecke.†Tijdens ‘de communisten’ was het landgoed afgepakt en werd de familie gedwongen naar een van de kleine woningen op Banda te verkassen.†

Enkele jaren voor z’n dood in 1983 kreeg de stokoude Van den Broecke een gedeelte van zijn perk ‘Klein Walingen’ alsnog terug. Ter erkenning dat hij bijtijds IndonesiŽr was geworden.

Zijn zoon Ben: ‘We moesten vrijwel opnieuw beginnen. Talloze bomen waren door de werkers van het PNP (staatsmaatschappij) om het hout gekapt. Ze kregen te weinig betaald. Nog steeds, hoor.’


Opzichter oom Anis: ‘Kwamen de Hollanders terug, ik zou weer voor ze gaan werken. Niet dat ik dat wil, maar de situatie is nu verschrikkelijk. Salarissen komen nooit op tijd. Er zijn mensen die van de provinciale overheid al acht maanden niets ontvingen. Ze blijven hun werk doen, wat moeten ze anders.’

Een uit Jakarta gezonden staatscontroleur die zijn naam niet wil geven – en er steeds op hamert dat hij beter helemaal z’n mond kan houden – vertelt dat de PNP 20.000 bomen heeft aangeplant ‘de laatste jaren’.†

Veel te weinig, volgens de opzichters.†


Nootmuskaat tekening 2

Van den Broecke: ‘Het aanplanten is namelijk veel werk. Bovendien duurt het vijftien jaar voordat een nootmuskaatboom werkelijk volwassen is.†

Tegelijkertijd zijn de ondernemingen van de staat en vooral van de lokale overheid erg verwaarloosd. Ik denk niet het nog te redden valt. Zoals het nu gaat, hebben we hier over vijf jaar geen notenteelt meer.’

Oom Henk: ‘De bewoners mogen niet zelf zomaar bomen planten. Je moet wachten op vergunningen van bovenaf. Die komen er dan niet. De mensen hebben trouwens geen geld en ook geen zin meer.’

Elk jaar is de oogst kleiner. De inkomsten dalen zo drastisch dat de werkers van de lokale regering stelen van de staatsplantages en omgekeerd.



Feitelijk bedraagt de staatsopbrengst nog steeds zo’n honderd ton volgens een opzichter, maar de regering krijgt slechts zo’n dertig ton in handen. Er bestaat een levendige zwarte markt.†

De dertig ton noten gaat onderhands naar rondreizende opkopers. In wezen weinig verschil met de uitgebreide smokkelhandel waarmee de perkeniers achtereenvolgens de (monopolie-) bepalingen van het VOC, NHM of CHV ontdoken.


Banda vrouw keuken


Van den Broecke: ‘Ik produceer per boom minstens een kwart meer doordat we de bomen goed verzorgen. Maar dan zijn er weer zoveel regelingen wat wel en niet mag. De staatsarbeiders hebben verschillende keren het verzoek ingediend om andere boomsoorten te mogen planten. Bijvoorbeeld cacao of rubber, zoals op Ceram. Ik weet niet waarom dat steeds wordt afgewezen. Het lijkt mij de enige oplossing.’

Staatscontroleur: ‘Wij hebben het verzoek doorgegeven om cacao om-en-om met de notenbomen te mogen planten, maar het presidentskantoor wees het af. Ze achten het een historisch gebied en willen dat het zo blijft.’



Het lijkt inderdaad alsof de regering de notenoogst met opzet laat afsterven, mede door tegelijkertijd de prijs te blijven monopoliseren. Evenals de VOC lange tijden, schiet Jakarta daar financieel allesbehalve iets mee op. Je vraagt je af waarom de regering zich er Łberhaupt mee bemoeit. Misschien op aandrang van iemand met de juiste connecties en andere belangen?

Staatscontroleur: ‘Banda moet een toeristengebied worden. Daar is het uitermate geschikt voor. De meeste inwoners zullen inderdaad moeten transmigreren. Geloof me, dat vind ik echt jammer, want Banda levert de beste kwaliteit nootmuskaat ter wereld. Wellicht komt dat door de speciale vulkaangrond hier.’

Tegenwoordig is kwaliteit niet meer zo belangrijk omdat het leeuwendeel toch naar de chemische industrie verdwijnt. Was nootmuskaat in vorige eeuwen nog een magische, medicinale specerij , internationaal strooit bijna alleen Holland er wat van over† de boontjes en de bloemkool.†

Nootmuskaat

In het dorp vertelt een oudere man dat notenbomen niet pal aan zee mogen staan. Ze moeten de zee als het ware ruiken. Op andere Molukse eilanden teelt men tussen de kruidnagelbomen soms ook nootmuskaat. Zelfs op Ternate en in Menado.†

Ook in het Zuid-Amerikaanse Grenada groeit nootmuskaat. Volgens overlevering brachten Belgen het daarheen. Maar op al die andere plekken is de kwaliteit minder.

Oom Anis: ‘De noten worden tegenwoordig voortijdig gespleten. vroeger moest je wachten tot ze vanzelf opengingen. Daar stond zelfs gevangenisstraf op.’

Een goede en rijpe noot is rond, gaaf en heeft een witte stip in plaats van een stekkie. De slechte kwaliteit heet nog steeds rimpel’.


Bijna angstvallig onderhoudt elk gezin contact met (verre) familie en kennissen op Ambon, Java of verder. Om te zijner tijd de kinderen erheen te kunnen sturen voor een voortgezette opleiding. Buiten schooltijd fungeren de jongeren weinig meer dan een soort huissloofje. Toch gingen voor het schoolseizoen 1984 weer zo’n 250 jongeren aan boord van de Pelni.

Na voltooiing van hun studie keren slechts weinigen van hen terug.†

En niet alleen om dat Banda voor jongeren een van verveling vergeven oord werd nadat ze op Ambon of Surabaya kennis maakten met de rest van de wereld.


BANDA (8)

Van den Broecke: ‘Als ik aanplant, doe ik het in gedachten voor m’n kinderen. Ik hoop dat ze ooit voorgoed terug komen naar Banda, maar eigenlijk geloof ik daar niet meer in.’

Er wacht hen geen ander werk dan de notenteelt en tonijnvisserij. Het is het zelfde probleem waar alle eilanden van Maluku Tenggara mee kampen: opgeleide jongeren willen niet terug naar het werk op de dusun.


Perkeniershuis jongen deuropening

Oom Henk: ‘Mijn kinderen zitten op Ternate en Java. Hier in de notentuinen willen ze niet werken, daar zijn ze te geschoold voor. Dat is geen hooghartigheid of zo, ze zijn het zware werk gewoon niet gewend. Bovendien levert het te weinig op.’

De meeste jongeren solliciteren eindeloos naar een baantje bij de overheid, de grootste verhuller van de werkloosheid. Maar ook daar komt de laatste jaren drastisch verandering in. De overheid neemt niet zo makkelijke meer nieuwe mensen in dienst.†

In de drukke bevolkingscentra ontstaat daardoor een grotere werkloosheid. Sommigen proberen als onderwijzer of dergelijks terug te keren. Vergeleken bij het harde leven in de grote steden vonden ze het leven op het thuiseiland toch een stuk rustiger.


De overheid stelt daarbij - op welk eiland dan ook - liever mensen van buiten het eiland aan. Misschien om te voorkomen dat er staatjes binnen de staat ontstaan. In ieder geval zijn ook op Banda de ambtenaren merendeels afkomstig van Ambon of elders. En ambtenaren-van-buiten zin meestal meer bezorgd om hun eigen carriŤre dan om het betreffende eiland.†


AMBON MOSKEE

Oudere, orthodoxe muslims maken onder de bevolking van Banda de dienst uit.†Een van de grootste statussymbolen is de witte ‘petji’ ten teken dat men in Mekka is geweest.†Een hadji heeft na terugkomst meer aanzien.†

De gemiddelde middenstander spaart tien, twintig jaar om de benodigde drie miljoen roepia's bij elkaar te schrapen. Vliegtuigmaat-schappij Garuda Indonesia organiseert elk jaar hadji-reizen voor zo’n 150 mensen uit de provincie Molukken.†Mannen, wel te verstaan. Vrouwen gaan zelden mee.†

Bijna elk jaar sterven enkele oudere pelgrims in de drukte en hitte van Mekka –– hetgeen een mooie dood wordt bevonden.


AMBON MOSKEE (1)


Het beleid van de islamitische ouderlingen kent een grote sociale controle. De jongeren die niet de mogelijkheid hebben van Banda weg te varen om te studeren of werken, achten zich het dupe ervan. Sommige jongens vormen hechte groepjes die in een enkel geval zelfs bij elkaar hokken.†

Ze lachen om de officiŽle lezing dat Banda ‘droog zou staan’ en nemen ons mee naar achteraf gelegen huisjes waar clandestien wordt gestookt en waar we opmerkelijk veel ambtenaren-van-buiten tegenkomen.†Ze lachen als we de andere officiŽle lezing aanhalen dat er op Banda geen prostituees zijn. Of zoals een dorpsleider het stelde: ‘Dergelijke vrouwen vertrekken uit zichzelf.’


Banda jongensgroep bordes


De jongens wisten allang dat we op Banda waren, maar durfden naar eigen zegge geen contact te leggen. Om dorpsgeroddel te voorkomen halen ze ons onopvallend in de schemer op. Om hen te vermaken en de eentonigheid te onderbreken met verhalen over hoe het leven ‘buiten’ is.†Iedereen op Banda kent die zelfde behoefte en bijgevolg word je overal vriendelijk binnengehaald –– om er liefst uren te blijven.†

Zelfs de burgervader van Banda Neira ondernam een poging. Aangezien we vele mensen spraken maar hem ‘kennelijk niet konden vinden’ stapte hij in zijn auto† – een van de vier op Banda – en ging met z’n hele gezin op bezoek bij de eigenaar van ons hotelletje.†


Banda kinderen


Mede doordat studenten en andere talenten zelden terugkeren, blijven de eilanden verstoken van vernieuwing. De mentaliteit verstart en dat merk je telkens opnieuw. Toch komt het ook goed uit dat veel jeugd niet terugkeert.†

Met 308 inwoners per vierkante meter bewoonbare grond behoort Banda feitelijk tot de dichtstbevolkte eilandengroep van Maluku Tengara. Gezien de armzalige gesteldheid van de notenteelt - waarin 90 procent van de 14.000 bewoners een groot deel van hun bestaan uit moeten halen – kun je misschien zelfs spreken van overbevolking.

De keuze voor een levenspartner is door de vergrijzing niet bijster groot. In zijn brieven beweerde Soetan Sjahrir dat op Banda een gedegenereerd volk woonde dat door isolatie aan inteelt leed.†

Sjahrir, later de eerste premier, zat tijdens het interbellum een aantal jaren op Banda in ballingschap, samen met Mohammed Hatta, later de eerste vice premier.

Banda kapsalon


Zelfs islamitische meisjes ‘mogen’ tegenwoordig soms een jaar buiten Banda ‘gaan studeren’. Bij terugkeer moeten ze alle aangemeten vrijheden weer afleren. De dochter van de kruidenier is zo’n beetje de enige echte kapster op Banda. Vader importeert de juiste spullen voor het permanenten. Hij zegt geen bezwaar te hebben als ze een christelijke jongen uit Ambon zou trouwen - zolang hij maar islamitisch wordt. Andersom: uitgesloten.†

Tijdens een bootreis leerde zij inderdaad een Javaanse jongen kennen. Alleen als er een vrouwelijke klant komt - mannen mag ze niet knippen - verlaat ze haar slaapkamer, waar ze haar dag doorbrengt met filmtijdschriften en het schrijven van minnebrieven aan de Javaanse jongen –- brieven die vader verscheurt als hij ze ziet.†


Kindje banda

Banda’s lot lijkt voor een groot deel in handen van de plaatselijke orang kaya Des Alwi. Doordat Hatta en Sjahrir hem tijdens hun ballingschap min of meer adopteerden en voor een opleiding zelfs naar Engeland stuurden, werd hij later een van de weinige Bandanezen met de juiste politieke connecties op Java.†

Nu, dertig jaar later, is hij tevens de†rijkste inwoner na een fortuin te hebben verdiend met internationale handel — naar zegge in gedroogde kelapa. De laatste jaren is Banda zo’n beetje z’n privť speeltuin geworden.

Tussen de bouwvallige huisjes langs de kustlijn prijken enkele dure hotels. Ze springen eruit door hun verse verflagen en luxe bouwstijl. Des Alwi wil Banda promoveren tot toeristenoord voor rijke AustraliŽrs. Dankzij zijn inspanningen kunnen ze met hun eigen luxe jacht of per zes persoons-vliegtuigje vanuit Ambon een directe oversteek maken.


VLIEGTUIG ONDERWEG (1)

Des Alwi heeft een monopolie – een tactiek waar de VOC aan ten gronde ging – op Banda als vakantieoord. Voor andere hotels worden er geen vergunningen afgegeven. Ook al staan zijn luxe hotels meestal leeg. Maar komt iemand eenmaal naar Banda, dan kan hij nergens anders terecht. De kamerprijzen zijn derhalve schrikbarend hoog. Wie goed zoekt vindt nog het enige andere hotel – iets goedkoper met het oog op handelsreizigers – van zijn zwager.

Om het gebied wat te promoten en tegelijkertijd te laten zien wat hij allemaal voor de Banda eilanden doet, nodigde Des Alwi regelmatig vooraanstaande politici uit voor een gratis reis en verblijf. Zelfs een Nederlandse ambtenaar van WVC nam het aanbod aan, de heer Hoeke en zijn vrouw.

VLIEGTUIG ONDERWEG

Van dergelijke, extravagant opgezette bezoeken werden video opnamen gemaakt. Ter promotie van de eilanden voor het juiste toerisme: zie welke prominenten u voorgingen. Van de eilanden zelf krijg je daarop weinig te zien, de man staat zelf centraal. Een paar jaar geleden liet hij een groep van veertig toneelspelers uit Java overkomen om te figureren in een film over zijn leven – zijn zoon vertolkte de hoofdrol.

De afgelegen ligging bleek tot nog toe echter een te grote hindernis om te worden ondergelopen door toerisme. In 1983 spoelden er niet meer dan twintig reizigers aan.



Banda is zonder meer een schitterend gebied. Naar mijn mening gezegend met het mooiste natuurschoon dat Maluku, inclusief Ternate en Tidore, te bieden heeft. Zwarte stranden naar onvoorstelbare zeetuinen. Je hebt geen snorkel nodig om de wonderlijke flora en fauna op twee meter diepte te zien.†

Een koude luchtstroom uit AustraliŽ zorgt volgens de inwoners soms voor iets heel bijzonders in dit tropisch werelddeel: een ijslaagje op de vulkaan in augustus.

Rondom de vulkaan liggen kubistische lava-formaties die traditionele Japanse prenten overtreffen. Ruwe kusten, gebeeldhouwd door het eeuwenlang beuken en uithollen van beukende woeste moessonzee. Tot op het uiterste randje van de kust veroveren fraaie, moedige bomen een plaatsje om te groeien – soms horizontaal tegen de wind in.


Nootmuskaat tek 5


Fotofilm†Maluku†‘84

Terug naar†Inhoud Maluku†‘84

Blog Index

Home










tAll photographs and texts © Kashba, Ais Loupatty & Ton Lankreijer. Webdesign: William Loupatty.